ECLI:NL:CRVB:2025:817
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor kosten budgetbeheer wegens ontbreken noodzakelijke informatie
Appellante heeft sinds 2019 bijzondere bijstand ontvangen voor kosten van budgetbeheer. In 2023 vroeg het college om nadere gegevens, waaronder evaluatieverslagen van 2019 tot en met 2022, om de noodzaak van budgetbeheer te beoordelen. Appellante verstrekte deze informatie niet, waardoor het college de aanvraag afwees omdat de noodzaak niet kon worden vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en hield het besluit in stand. Appellante stelde in hoger beroep dat zij de noodzaak wel aannemelijk had gemaakt en dat het college in strijd handelde met het gelijkheidsbeginsel en willekeur pleegde. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante onvoldoende bewijs had geleverd en dat het college terecht het standpunt innam dat de noodzaak niet kon worden vastgesteld.
Verder wees de Raad het beroep af op het punt van het gelijkheidsbeginsel en willekeur, omdat appellante haar stelling onvoldoende onderbouwde. Het hoger beroep werd daarom verworpen en het besluit tot afwijzing van de bijzondere bijstand bleef in stand. Appellante kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
De uitspraak werd gedaan zonder zitting omdat partijen geen gebruik maakten van hun recht om gehoord te worden. De Raad baseerde zich op de wettelijke beoordelingsruimte van het college en de medewerkingsverplichting van de aanvrager bij bijzondere bijstand.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand voor kosten budgetbeheer wordt bevestigd wegens het niet overleggen van noodzakelijke informatie.