ECLI:NL:CRVB:2025:821
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd in hoger beroep tegen herzieningsuitspraak AOW
Appellante ontving een nabestaandenuitkering die werd beëindigd bij het bereiken van haar AOW-leeftijd. Zij vroeg vervolgens AOW-pensioen aan, maar de Sociale verzekeringsbank (Svb) wees dit af. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens te late betaling van het griffierecht. Appellante diende daarop een verzetschrift in, dat eveneens ongegrond werd verklaard.
Vervolgens verzocht appellante om herziening van de uitspraak van de rechtbank, maar dit verzoek werd afgewezen omdat zij geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd. Appellante stelde hiertegen hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelt echter dat zij zich onbevoegd moet verklaren omdat het herzieningsverzoek betrekking heeft op een uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Awb, waartegen op grond van artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb geen hoger beroep mogelijk is. Daarom kan de Raad het hoger beroep niet behandelen en verklaart zich onbevoegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen de herzieningsuitspraak.