Appellante, weduwe van een in 2018 overleden echtgenoot, maakte bezwaar tegen het beëindigen van haar ouderdomspensioen en AIO-aanvulling door de Sociale Verzekeringsbank (Svb). De Svb verklaarde haar bezwaar niet-ontvankelijk omdat het niet gericht was tegen een besluit in de zin van de Awb. Hiertegen stelde appellante beroep in, dat door de rechtbank niet-ontvankelijk werd verklaard wegens te late indiening.
Appellante diende vervolgens een verzetschrift in tegen deze uitspraak, dat door de rechtbank ongegrond werd verklaard. Een verzoek tot herziening van deze uitspraak werd eveneens afgewezen omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd. Appellante verzocht daarop de Centrale Raad van Beroep om de uitspraak van de rechtbank ongedaan te maken.
De Raad oordeelde dat het herzieningsverzoek betrekking had op een uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Awb, waartegen op grond van artikel 8:104, tweede lid, geen hoger beroep mogelijk is. Daarom verklaarde de Raad zich onbevoegd om kennis te nemen van het hoger beroep. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.