ECLI:NL:CRVB:2025:83
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor schuld wegens voldoende bestaansmiddelen
Appellant had bijzondere bijstand aangevraagd voor een schuld aan zijn verhuurder, Stichting Vestia, ter hoogte van €5.792,34. Deze schuld ontstond na ontbinding van zijn huurovereenkomst wegens het aantreffen van een hennepkwekerij in de woning. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees de aanvraag af op grond van artikel 13 lid 1 onder Pro g van de Participatiewet, omdat appellant bij het ontstaan van de schuld en nadien over voldoende middelen beschikte om in zijn noodzakelijke kosten te voorzien.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond en handhaafde het besluit. Appellant stelde in hoger beroep dat hij destijds en nadien onvoldoende middelen had, onder meer omdat hij na het tekenen van het huurcontract naar het buitenland vertrok en daar bij zijn familie verbleef zonder inkomen. Hij overhandigde loonstroken en een betaalspecificatie ter onderbouwing van zijn financiële situatie.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij niet over voldoende middelen beschikte. De overgelegde loonstroken toonden juist aan dat hij inkomsten had die voldoende waren om in zijn noodzakelijke kosten te voorzien. De Raad bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, waardoor de aanvraag om bijzondere bijstand werd afgewezen. Appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand voor de schuld wordt bevestigd.