ECLI:NL:CRVB:2025:841
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering na herbeoordeling zonder toename beperkingen
Appellant was laatstelijk werkzaam als horecamedewerker en ontving na ziekte een Ziektewetuitkering (ZW). Het UWV weigerde een WIA-uitkering toe te kennen omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was, maar geschikt voor andere functies. Na een nieuwe ziekmelding en medisch onderzoek concludeerde een verzekeringsarts dat er geen toename van beperkingen was, behalve een aanvullende beperking door oogmigraine.
Het UWV beëindigde daarop de ZW-uitkering per 15 maart 2023. Appellant maakte bezwaar en stelde dat zijn beperkingen wel waren toegenomen, onder meer op basis van een brief van psychologen en media-uitingen over onzorgvuldige UWV-keuringen. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad stelde dat volgens vaste rechtspraak bij een herbeoordeling na WIA-beoordeling de geschiktheid voor ten minste drie geselecteerde functies met voldoende arbeidsplaatsen moet worden getoetst. De Raad vond dat de medische situatie van appellant niet was verslechterd en dat de brief van de psychologen geen aanleiding gaf tot twijfel aan het UWV-oordeel.
De Raad concludeerde dat de beëindiging van de ZW-uitkering terecht is en dat appellant geen proceskostenvergoeding krijgt. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de ZW-uitkering terecht is beëindigd wegens het ontbreken van toegenomen beperkingen.