ECLI:NL:CRVB:2025:858
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering Wajong-uitkering wegens arbeidsvermogen op achttiende verjaardag en daarna
Appellante vroeg een Wajong-uitkering aan, stellende dat zij duurzaam geen arbeidsvermogen had vanwege een persoonlijkheidsstoornis. Het UWV weigerde de uitkering omdat zij op haar achttiende verjaardag en de vijf jaar daarna wel over arbeidsvermogen beschikte, ondanks haar beperkingen. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij zij het medische en arbeidskundige onderzoek van het UWV volgde. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar psychische klachten haar arbeidsvermogen belemmerden, maar kon dit niet met nieuwe medische stukken onderbouwen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV terecht had vastgesteld dat appellante in de relevante periode over basale werknemersvaardigheden beschikte en taken kon uitvoeren, zoals handmatig afwassen. De Raad volgde de eerdere beoordeling dat het ontbreken van arbeidsvermogen pas na die periode was ontstaan, waardoor appellante niet als jonggehandicapte kon worden aangemerkt. Het hoger beroep werd verworpen en de weigering van de Wajong-uitkering bleef in stand.
De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige medische en arbeidskundige beoordeling bij de toekenning van Wajong-uitkeringen en bevestigt dat het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam moet zijn en binnen de wettelijke termijnen moeten worden vastgesteld.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering omdat appellante op haar achttiende verjaardag en de vijf jaar daarna over arbeidsvermogen beschikte.