Appellant had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Helmond om bijstand over een lange periode in te trekken en de kosten daarvan terug te vorderen wegens schending van de inlichtingenplicht. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigde later delen van het besluit en beval een nieuwe beslissing op bezwaar.
Het college nam vervolgens een nieuw besluit waarin gedeeltelijk werd teruggevorderd. Appellant stelde dat hij ten onrechte niet in de gelegenheid was gesteld om in bezwaar te worden gehoord na de uitspraak van de Raad. De Raad oordeelde dat het horen niet verplicht was omdat het slechts een financiële uitwerking betrof van de eerdere uitspraak.
Appellant vorderde daarnaast een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad stelde vast dat de totale procedure meer dan zes jaar had geduurd, ruim twee jaar langer dan de redelijke termijn. De overschrijding werd verdeeld tussen het college en de Staat, waarbij de Staat verantwoordelijk was voor de rechterlijke fase en het college voor de bestuursfase.
De Raad kende appellant een schadevergoeding toe van in totaal €3.000,-, waarvan €1.451,61 voor rekening van de Staat en €1.548,39 voor het college. Tevens werden proceskosten deels vergoed, maar het griffierecht werd niet teruggegeven. Het beroep werd verder ongegrond verklaard.