ECLI:NL:CRVB:2025:874
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor verhuis- en inrichtingskosten wegens ontbreken noodzakelijkheid
Appellant, een bijstandsgerechtigde, verzocht om bijzondere bijstand voor verhuis- en inrichtingskosten vanwege vermeende gebreken in zijn vorige woning, waaronder kakkerlakken, schimmel en rioolgeur. Het college wees deze aanvragen af omdat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de verhuizing noodzakelijk was en dat er sprake was van bijzondere omstandigheden die recht geven op bijzondere bijstand.
De rechtbank Gelderland verklaarde de beroepen ongegrond en handhaafde de besluiten. Appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep, die de zaak op 25 maart 2025 behandelde. De Raad oordeelde dat appellant geen objectieve en verifieerbare stukken had overgelegd waaruit blijkt dat de woning onleefbaar was, noch had hij zijn stelling over het niet kunnen reserveren voor inrichtingskosten onderbouwd.
Verder wees de Raad het beroep af op grond dat appellant niet viel onder de categorieën van artikel 16 lid 1 van Pro de Participatiewet die recht geven op bijzondere bijstand wegens zeer dringende redenen. De Raad bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten.
De uitspraak benadrukt het belang van het overleggen van concrete en verifieerbare bewijsstukken bij aanvragen bijzondere bijstand en bevestigt dat een inkomen op bijstandsniveau in principe voorziet in noodzakelijke kosten, tenzij bijzondere omstandigheden aannemelijk worden gemaakt.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvragen om bijzondere bijstand voor verhuis- en inrichtingskosten wordt bevestigd.