ECLI:NL:CRVB:2025:88

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 januari 2025
Publicatiedatum
15 januari 2025
Zaaknummer
24/975 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht ondanks beroep op betalingsonmacht

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Gelderland, maar heeft het griffierecht niet binnen de gestelde termijn betaald. Ondanks een ingediend beroep op betalingsonmacht en het toezenden van formulieren om dit te onderbouwen, heeft appellant niet tijdig en volledig gereageerd op verzoeken van de Raad.

De Raad heeft appellant meerdere malen schriftelijk en telefonisch gewezen op de verplichting tot betaling en de gevolgen van niet-betaling. Het griffierecht is uiteindelijk niet voldaan binnen de gestelde termijnen. Hierdoor is het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard zonder inhoudelijke behandeling van de zaak.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 15 januari 2025.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht ondanks afgewezen beroep op betalingsonmacht.

Uitspraak

Datum uitspraak: 15 januari 2025
24/975 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 15 maart 2024, 23/773 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

OVERWEGINGEN

In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Bij brief van 8 mei 2024 is appellant erop gewezen dat een griffierecht van € 138,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.
Bij brief van 5 juni 2024 heeft appellant een beroep op betalingsonmacht ingediend.
Bij brief van 10 juni 2024 heeft de Raad verzocht het bijgevoegde formulier in te vullen en binnen vier weken van deze brief retour te zenden, indien appellant meent aan de criteria te voldoen. Daarbij is appellant erop gewezen dat als het formulier niet op tijd retour wordt gestuurd, niet compleet is ingevuld en/of als er gegevens ontbreken, het beroep op betalingsonmacht zal worden afgewezen en het griffierecht alsnog betaald moet worden.
Op 3 juli 2024 heeft appellant het formulier voor betalingsonmacht ingevuld en opgestuurd naar de Raad.
Bij brief van 25 juli 2024 heeft de Raad appellant een kopie van de (door de Raad voor Rechtsbijstand op 19 juli 2024 verstrekte) inkomensverklaring toegezonden, en gelijktijdig appellant verzocht de bijgevoegde verklaring in te vullen en binnen vier weken retour te zenden. Daarbij is appellant erop gewezen dat als het formulier niet op tijd retour wordt gestuurd, niet compleet is ingevuld en/of als er gegevens ontbreken, het beroep op betalingsonmacht zal worden afgewezen en het griffierecht alsnog betaald moet worden.
Appellant heeft deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.
Bij brief van 27 augustus 2024 heeft de Raad het beroep op betalingsonmacht afgewezen en appellant verzocht het griffierecht binnen de op de (nog te sturen) herinneringsnota griffierecht gestelde termijn te betalen. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellant er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld zal worden.
Bij aangetekende brief van 28 augustus 2024 is appellant nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief op de in die brief genoemde bankrekening dient te zijn bijgeschreven dan wel contant moet zijn betaald. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellant er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld zal worden.
Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald.
Op 19 september 2024 heeft appellant de Raad gemaild dat hij een betalingsherinnering heeft ontvangen terwijl appellant een beroep op betalingsonmacht heeft gedaan.
Op 30 september 2024 heeft een medewerker van de griffie de voicemail van appellant ingesproken met de mededeling dat de Raad geen reactie heeft ontvangen op de brief van
25 juli 2024.
Appellant heeft niet gereageerd op desbetreffend voicemail bericht.
Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door J.D. Streefkerk, in tegenwoordigheid van J.M. Labage als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2025.
(getekend) J.D. Streefkerk
(getekend) J.M. Labage
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.