ECLI:NL:CRVB:2025:897
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WIA-uitkering van 37,75% arbeidsongeschiktheid na bezwaar en beroep
Appellant werkte tot maart 2019 als machine operator en meldde zich in juni 2019 ziek. Na een aanvraag voor een WIA-uitkering in maart 2021 stelde het UWV aanvankelijk vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde uitkering toe te kennen. Na bezwaar en beroep stelde de verzekeringsarts extra beperkingen vast en selecteerde de arbeidsdeskundige passende functies, wat leidde tot een vaststelling van 37,75% arbeidsongeschiktheid en toekenning van de uitkering per 14 juni 2021.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, waarbij zij oordeelde dat de medische situatie van appellant zorgvuldig en samenhangend was beoordeeld, inclusief aandoeningen zoals fibromyalgie, scoliose, en Gilles de la Tourette. De geselecteerde functies zijn voornamelijk zittend, solistisch en zonder belastende polsbewegingen, passend bij de beperkingen.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de beoordeling onvoldoende rekening hield met zijn klachten en werkomstandigheden, maar de Raad concludeerde dat deze gronden grotendeels herhalingen waren van eerdere bezwaren. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde het bestreden besluit, waarmee het hoger beroep werd afgewezen en appellant geen proceskostenvergoeding kreeg.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het UWV-besluit tot toekenning van een WIA-uitkering van 37,75% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.