Appellante was sinds 2012 arbeidsongeschikt wegens psychische klachten en ontving een WIA-uitkering. Het UWV beëindigde haar ZW-uitkering per 7 mei 2019 na herbeoordeling waarbij werd vastgesteld dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Appellante stelde dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was omdat geen fysiek spreekuurcontact had plaatsgevonden en dat onvoldoende rekening was gehouden met haar psychische beperkingen.
De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat het zorgvuldigheidsgebrek in eerste instantie bestond maar dat dit in hoger beroep was hersteld door een fysiek spreekuurcontact met een verzekeringsarts. Daarnaast benoemde de Raad twee deskundigen die een uitgebreid onderzoek verrichtten en concludeerden dat de beperkingen van appellante in ruime mate rekening hielden met haar psychische aandoeningen. De deskundigen gaven aan dat appellante zelfstandig tot circa 10 kilometer kan reizen en dat begeleiding bij langere afstanden passend is.
Appellante bleef het oneens met het rapport van de deskundigen, maar de Raad volgde het deskundigenoordeel omdat dit zorgvuldig en overtuigend was gemotiveerd. De arbeidsdeskundige concludeerde dat de geselecteerde functies passend waren. De Raad bevestigde het besluit van het UWV om de uitkering te beëindigen en veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante.