ECLI:NL:CRVB:2025:916
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft een WIA-uitkering aangevraagd na ziekteverzuim wegens migraine en beperkingen, maar het UWV heeft deze geweigerd omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Zowel een verzekeringsarts als een arbeidsdeskundige hebben beperkingen vastgesteld en functies geselecteerd die appellant nog kan vervullen, resulterend in een arbeidsongeschiktheidspercentage van circa 12%.
De rechtbank heeft het bezwaar van appellant tegen deze weigering ongegrond verklaard en het besluit van het UWV in stand gelaten. De rechtbank oordeelde dat het medische onderzoek zorgvuldig was verricht, dat de beperkingen adequaat waren vastgesteld en dat het ziekteverzuim van rond 25% acceptabel is binnen redelijke verwachtingen van een werkgever.
Appellant voerde aan dat de bijwerkingen van medicatie en zijn klachten onvoldoende waren meegewogen en dat de geselecteerde functies niet passend zijn. De Raad volgt dit niet en benadrukt dat appellant geen nieuwe medische informatie heeft ingebracht die twijfel zaait over de juistheid van de medische beoordeling. De Raad bevestigt dat het UWV voldoende heeft gemotiveerd dat appellant veertig uur per week belastbaar is buiten migraineaanvallen.
De Raad concludeert dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Appellant krijgt geen WIA-uitkering en geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.