ECLI:NL:CRVB:2025:928
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens schending medewerkingsverplichting
Appellant, die sinds 2013 bijstand ontving, diende op 29 juni 2022 een nieuwe aanvraag in nadat zijn eerdere bijstand was ingetrokken wegens langdurig verblijf in het buitenland. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam weigerde de aanvraag omdat appellant niet aan zijn medewerkingsverplichting voldeed. Hij verstrekte niet alle gevraagde financiële gegevens en beëindigde twee gesprekken met een handhavingsspecialist voortijdig.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en liet het besluit tot afwijzing van de aanvraag in stand. Appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep, die eveneens oordeelde dat appellant onvoldoende inzicht had gegeven in zijn financiële situatie, met name over de herkomst en besteding van contant geld en de wijze van levensonderhoud na intrekking van de bijstand.
Door het voortijdig beëindigen van de gesprekken ontnam appellant het college de mogelijkheid om aanvullende vragen te stellen, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het hoger beroep af. Appellant kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag om bijstand wordt bevestigd wegens schending van de medewerkingsverplichting.