ECLI:NL:CRVB:2025:93

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 januari 2025
Publicatiedatum
15 januari 2025
Zaaknummer
24/1798 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:24 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken beroepsgronden in WIA-zaak

Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant in een WIA-zaak. Volgens artikel 6:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht moet een beroepschrift de gronden van het beroep bevatten. Het ingediende beroepschrift bevatte echter geen gronden.

Appellant kreeg op 7 augustus 2024 een eerste termijn van vier weken om dit te herstellen, welke ongebruikt verstreek. Vervolgens werd bij aangetekende brief van 9 september 2024 een tweede termijn van vier weken gesteld met de waarschuwing dat overschrijding zou leiden tot niet-inhoudelijke behandeling. Ook deze termijn liet appellant voorbijgaan zonder verontschuldiging.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk is en wees verdere behandeling af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter J.D. Streefkerk op 15 januari 2025.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden.

Uitspraak

Datum uitspraak: 15 januari 2025
24/1798 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 14 juni 2024, 20/3627 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

OVERWEGINGEN

In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is bepaald dat het beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten. Ingevolge artikel 6:24 van Pro de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Het ingediende beroepschrift bevat geen gronden.
Bij brief van 7 augustus 2024 is appellant in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen vier weken te herstellen.
Appellant heeft deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.
Bij aangetekende brief van 9 september 2024 is aan appellant nogmaals de gelegenheid geboden de beroepsgronden in te dienen. Daarbij is een termijn van vier weken gesteld en is appellant erop gewezen dat overschrijding van die termijn tot gevolg zal hebben dat de zaak niet inhoudelijk wordt behandeld.
Appellant heeft ook deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.
Niet is gebleken van redenen die een verontschuldiging vormen voor dit verzuim. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door J.D. Streefkerk, in tegenwoordigheid van J.M. Labage als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2025.
(getekend) J.D. Streefkerk
(getekend) J.M. Labage
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.