Verzoeker, geboren in 1960, heeft niet-aangeboren hersenletsel en is geïndiceerd voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Het zorgkantoor verleende een pgb, maar wees een aanvraag voor meerzorg af. De rechtbank vernietigde dit besluit en het zorgkantoor stelde een nieuw besluit vast waarin de afwijzing werd gehandhaafd. Verzoeker stelde hoger beroep in en vroeg om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter overwoog dat de bodemzaak complex is en niet binnen zes weken kan worden afgerond. Verzoeker gaf aan dat het huidige pgb onvoldoende is om de benodigde zorg in te kopen, waardoor zijn partner zwaar belast wordt en gezondheidsproblemen heeft gekregen. Het zorgkantoor stelde dat de inzet van de partner voldoende was.
De voorzieningenrechter concludeerde dat de belangenafweging aanleiding gaf tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het zorgkantoor moet het pgb ophogen voor zestien uur zorg per week tegen het huidige tarief van €40 per uur, bovenop het bestaande budget. Deze voorziening geldt tot de uitspraak in de bodemzaak en het zorgkantoor wordt veroordeeld in de proceskosten.