ECLI:NL:CRVB:2025:937

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 juni 2025
Publicatiedatum
25 juni 2025
Zaaknummer
22/3749 WMO15
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:26 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens overlijden appellante en ontbreken procesbelang

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland. Tijdens de procedure is gebleken dat appellante op een eerder moment in 2023 is overleden. De Centrale Raad van Beroep heeft dit kenbaar gemaakt in de Staatscourant en een zitting gepland op 4 juni 2025. Ondanks verzoeken aan de advocaat van appellante om aan te geven wie de erfgenamen zijn en of zij het geding willen voortzetten, is geen concreet antwoord ontvangen.

Tijdens de zitting zijn geen belanghebbenden of erfgenamen verschenen om de procedure voort te zetten. Het college van burgemeester en wethouders van Almere was wel vertegenwoordigd. De Raad concludeerde dat door het overlijden van appellante en het ontbreken van opvolgers in het geding het procesbelang is komen te vervallen.

Daarom verklaarde de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door rechter C.W.C.A. Bruggeman op 25 juni 2025.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang na het overlijden van appellante.

Uitspraak

22/3749 WMO15
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 26 oktober 2022, 22/2099 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
wijlen [appellante] , in leven laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)
Datum uitspraak: 25 juni 2025
SAMENVATTING
Appellante is overleden. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K. Wevers hoger beroep ingesteld.
Het college heeft op 2 januari 2025 laten weten dat appellante op [datum] 2023 is overleden.
De Raad heeft, gelet op het bepaalde in artikel 8:26, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, in de Staatscourant van 16 mei 2025 [1] aangekondigd dat de behandeling van de zaak op de zitting van 4 juni 2025 zal plaatsvinden. Van de zijde van de erfgenamen van appellante is niemand ter zitting verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Piets.

OVERWEGINGEN

1. Appellante is op [datum] 2023 overleden. Daarmee is haar belang bij de voortzetting van het geding vervallen. Voorafgaand aan de aankondiging in de Staatscourant is aan mr. Wevers gevraagd om de Raad te laten weten of hij weet wie de erven van appellante zijn en of zij de procedure wensen voort te zetten. Mr. Wevers heeft hierop niet concreet geantwoord welke erfgenamen de procedure wensen voort te zetten.
2. Ook na de aankondiging in de Staatscourant hebben zich geen belanghebbenden gemeld met het verzoek als partij aan het geding deel te mogen nemen. Niet is gebleken van erfgenamen die appellante als partij in dit geding zijn opgevolgd en die het geding zouden willen voortzetten.
3. Dit betekent dat er geen procesbelang meer is bij een beoordeling van het hoger beroep. Het hoger beroep is daarom niet-ontvankelijk.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.C.A. Bruggeman, in tegenwoordigheid van C.K. Teunissen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2025.
(getekend) C.W.C.A. Bruggeman
(getekend) C.K. Teunissen

Voetnoten

1.Staatscourant 2025, 16303.