ECLI:NL:CRVB:2025:938
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling mate arbeidsongeschiktheid en schadevergoeding wegens termijnoverschrijding in WIA-procedure
Appellant betwistte de vaststelling van zijn arbeidsongeschiktheid op 76,55% per 1 februari 2018 door het UWV, stellende dat hij meer beperkingen heeft dan erkend en dat de geselecteerde functies niet passend zijn. Na uitgebreid onderzoek, waaronder een deskundigenrapport van een longarts, werd de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) aangepast en een WGA-vervolguitkering toegekend.
De Raad vernietigde het eerdere besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam, maar verklaarde het beroep tegen het gewijzigde besluit van het UWV ongegrond. De medische en arbeidskundige beoordelingen werden uitvoerig besproken, waarbij de Raad het medisch oordeel van het UWV onderschreef en geen aanleiding zag voor een onafhankelijke verzekeringsarts.
Daarnaast werd een schadevergoeding van €2.500 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn, verdeeld tussen de Staat en het UWV. Ook werden proceskosten en griffierechten aan appellant vergoed. De uitspraak bevestigt de juiste toepassing van de WIA-regelgeving en benadrukt de zorgvuldigheid van het medisch en arbeidskundig onderzoek.
Uitkomst: De mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is terecht vastgesteld op 76,55% en het beroep tegen het gewijzigde besluit van het UWV wordt ongegrond verklaard.