Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om haar per 12 oktober 2020 geen WIA-uitkering toe te kennen wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij het medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep werd gevolgd. Appellante betwistte dit oordeel en stelde dat zij meer beperkingen heeft, onderbouwd met rapporten van een eigen verzekeringsarts en arbeidsdeskundige.
De Centrale Raad van Beroep benoemde een onafhankelijke deskundige die concludeerde dat appellante een urenbeperking van 6 uur per dag en 30 uur per week heeft, mede door PTSS en chronische pijnklachten. De deskundige vond dat de FML aangepast moest worden aan deze beperkingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep vond dit niet noodzakelijk, maar de deskundige handhaafde haar oordeel in een aanvullend rapport.
De Raad volgt het oordeel van de onafhankelijke deskundige vanwege de zorgvuldige en consistente motivering. Het bestreden besluit van het UWV is daardoor onvoldoende gemotiveerd en moet worden hersteld. Het UWV wordt opgedragen de FML aan te passen en de gevolgen voor de aanspraken van appellante op grond van de Wet WIA te heroverwegen.
De uitspraak is een tussenuitspraak en draagt het UWV op binnen twaalf weken het gebrek in het besluit te herstellen. De zaak is behandeld zonder zitting, waarbij partijen geen zitting wensten.