ECLI:NL:CRVB:2025:948
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling juiste vaststelling mate arbeidsongeschiktheid per 26 oktober 2018
Appellant betwistte de vaststelling van zijn arbeidsongeschiktheidspercentage door het UWV per 26 oktober 2018, omdat hij meent meer beperkingen te hebben dan aangenomen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad benoemde een onafhankelijke deskundige die een uitgebreid multidisciplinair onderzoek verrichtte. De deskundige concludeerde dat appellant meer beperkingen had dan in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) waren opgenomen, met name door opiatenafhankelijkheid en onvoorspelbare klachten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep vertaalde deze beperkingen in een aangepaste FML met een duurbeperking en aanvullende beperkingen.
De Raad volgde het oordeel van de deskundige en verzekeringsarts en oordeelde dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid terecht had vastgesteld op 64,89%. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, het eerdere besluit vernietigd en het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid terecht heeft vastgesteld op 64,89% per 26 oktober 2018.