Appellant had beroep ingesteld tegen een terugvorderingsbesluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Appellant stelde vervolgens hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.
Het college kwam in hoger beroep met een nieuwe beslissing op bezwaar, waarbij het bezwaar van appellant volledig werd gehonoreerd, het oorspronkelijke terugvorderingsbedrag werd herroepen en op nihil gesteld. Hierdoor verloor appellant het belang bij verdere behandeling van het hoger beroep.
De Raad verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. Omdat het college na het instellen van beroep en hoger beroep aan de bezwaren tegemoet was gekomen, veroordeelde de Raad het college tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht.
De proceskosten werden begroot op € 2.721,- en het griffierecht op € 186,-. De uitspraak werd gedaan door A.M. Overbeeke, in aanwezigheid van griffier A.H. Hagendoorn-Huls, op 1 juli 2025.