ECLI:NL:CRVB:2026:1

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
24/1343 BBZ-V
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijk verklaring van herzieningsverzoek in bestuursrechtelijke procedure

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 12 januari 2026 uitspraak gedaan over het verzet van appellante tegen de niet-ontvankelijk verklaring van haar verzoek om herziening van een eerdere uitspraak. De Raad had in een eerdere uitspraak op 8 juli 2025 geoordeeld dat het verzoek om herziening niet-ontvankelijk was omdat appellante het verschuldigde griffierecht niet had betaald. Appellante voerde in verzet aan dat zij geen griffierecht verschuldigd was, omdat zij in haar hoger beroepsprocedure een vrijstelling had gekregen. De Raad oordeelde echter dat het griffierecht voor een herzieningsverzoek gelijk is aan het griffierecht dat ten tijde van de indiening verschuldigd zou zijn geweest voor het beroep of hoger beroep dat heeft geleid tot de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd. Aangezien het herzieningsverzoek op 8 juni 2024 was ingediend, was appellante een griffierecht van € 138,- verschuldigd. De Raad verwierp ook appellantes argument dat er geen wettelijke grondslag voor betalingsonmacht zou zijn en dat zelfstandige ondernemers moeilijk hun betalingsonmacht kunnen aantonen. De Raad concludeerde dat appellante in eerdere procedures succesvol een beroep op betalingsonmacht had gedaan, wat haar huidige argumentatie ondermijnde. Uiteindelijk verklaarde de Raad het verzet ongegrond en gaf geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitspraak

Datum uitspraak: 12 januari 2026
24/1343 BBZ-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzet in verband met het verzoek om herziening van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 7 juni 2022, CRvB 19/3627 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het College van Burgemeester en Wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

In de uitspraak van 8 juli 2025 heeft de Raad het door appellante ingestelde verzoek om herziening van de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Appellante heeft verzet gedaan.
De Raad heeft het verzet behandeld op de zitting van 17 november 2025. Appellante is verschenen. Het college is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. In de uitspraak van 8 juli 2025 heeft de Raad geoordeeld dat het verzoek om herziening kennelijk niet-ontvankelijk is omdat appellante het verschuldigde griffierecht niet heeft betaald en op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest.
2. Appellante voert in verzet in de eerste plaats aan dat ze bij haar verzoek om herziening geen griffierecht is verschuldigd, omdat ze in haar hoger beroepsprocedure een vrijstelling heeft gekregen voor het betalen van het griffierecht.
3. Deze grond slaagt niet. Uit artikel 8:119, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat het griffierecht dat verschuldigd is voor een verzoek om herziening gelijk is aan het griffierecht dat ten tijde van de indiening van het verzoek verschuldigd zou zijn geweest voor het beroep of hoger beroep dat heeft geleid tot de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd. Het herzieningsverzoek is gedaan op 8 juni 2024. Op dat moment was voor een hoger beroep een griffierecht van € 138,- verschuldigd. Daarmee staat vast dat ook voor het herzieningsverzoek een griffierecht ter hoogte van dat bedrag was verschuldigd. Dat appellante in haar beroep bij de rechtbank Amsterdam en in haar hoger beroep bij de Raad geen griffierecht hoefde te betalen maakt dat niet anders. Artikel 8:119, derde lid, van de Awb knoopt immers niet aan bij het werkelijk betaalde bedrag aan griffierecht in de eerdere procedure, maar bij het griffierecht dat ten tijde van de indiening van het verzoek verschuldigd zou zijn geweest voor het beroep of hoger beroep.
4. Appellante heeft verder aangevoerd dat een wettelijke grondslag voor een beroep op betalingsonmacht ontbreekt en dat de wijze waarop betalingsonmacht wordt vastgesteld geen of onvoldoende rekening houdt met de wijze waarop zelfstandige ondernemers hun (winst)inkomen vergaren.
5. Ook deze grond slaagt niet. Artikel 8:41, zesde lid, tweede volzin van de Awb bepaalt kort gezegd dat een beroep niet wegens het niet betalen van griffierecht niet-ontvankelijk wordt verklaard als aannemelijk is dat de indiener in betalingsonmacht verkeert. Uit de toelichting bij dit artikel blijkt dat hiermee de vaste jurisprudentie van alle hoogste bestuursrechters wordt gecodificeerd. [1] De Raad volgt appellante niet in haar betoog dat het specifiek voor zelfstandige ondernemers moeilijk of onmogelijk zou zijn om hun betalingsonmacht aan te tonen. Niet valt in te zien waarom zelfstandige ondernemers niet in staat zouden zijn inzicht te verschaffen in hun inkomen over de zogenoemde referteperiode. Uit de omstandigheid dat appellante in haar hoedanigheid van zelfstandig ondernemer in ieder geval twee keer (in de procedure bij de rechtbank en ook in het hoger beroep bij de Raad) een geslaagd beroep op betalingsonmacht heeft gedaan blijkt eerder het tegendeel. Dat haar beroep op betalingsonmacht in deze gevallen enkel uit coulance is gehonoreerd, zoals appellante ter zitting heeft gesteld, heeft zij op geen enkele manier onderbouwd.
6. In de vele rechtspraak waarnaar appellante heeft verwezen heeft de Raad geen aanleiding gevonden om tot de conclusie te komen dat de uitspraak van 8 juli 2025 onjuist zou zijn.
7. Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
8. Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door K.H. Sanders, in tegenwoordigheid van H. de Brabander als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2026.
(getekend) K.H. Sanders
(getekend) H. de Brabander

Voetnoten

1.Kamerstukken II, 2024-2025, 36 638, nr. 3, p. 8.