ECLI:NL:CRVB:2026:10
Centrale Raad van Beroep
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Weigering van Wajong-uitkering en proceskostenveroordeling in hoger beroep
In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 7 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep over de weigering van een Wajong-uitkering aan appellant. De zaak betreft de afwijzing van een aanvraag voor een Wajong-uitkering door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) op basis van het besluit van 16 januari 2019. Appellant, geboren in 1994, had in 2018 een aanvraag ingediend, maar het Uwv oordeelde dat hij beschikte over arbeidsvermogen en niet als jonggehandicapte kon worden aangemerkt. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv ten onrechte niet is teruggekomen op zijn eerdere besluit en dat hij alsnog als jonggehandicapte moet worden aangemerkt, vooral gezien zijn medische situatie en de ontwikkeling van zijn klachten na 1 mei 2016.
Tijdens de zitting op 20 juli 2023 is appellant verschenen, bijgestaan door zijn advocaat, en heeft het Uwv zich laten vertegenwoordigen. De Raad heeft een onafhankelijke deskundige benoemd, die op 13 mei 2025 een rapport heeft uitgebracht. De deskundige concludeerde dat appellant op de datum van zijn Wajong-aanvraag beschikte over arbeidsvermogen en niet als jonggehandicapte kon worden aangemerkt. De Raad heeft het oordeel van de deskundige gevolgd en geoordeeld dat het hoger beroep niet slaagt. De Raad heeft de weigering van de Wajong-uitkering in stand gehouden en het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellant, die op € 4.203,- zijn vastgesteld, en het griffierecht van € 48,- moet vergoeden.