ECLI:NL:CRVB:2026:10
Centrale Raad van Beroep
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens arbeidsvermogen en geen nieuwe feiten
Appellant vroeg om een Wajong-uitkering, die door het UWV in 2019 werd geweigerd wegens arbeidsvermogen op zijn achttiende en de daaropvolgende vijf jaar. Appellant stelde dat het UWV ten onrechte niet terugkwam op dit besluit en dat hij als jonggehandicapte moest worden aangemerkt tijdens studie en de vijf jaar daarna.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd die het eerdere besluit konden wijzigen. In hoger beroep werd vastgesteld dat er wel een nieuwe aanvraag was voor een andere periode, namelijk vanaf 1 mei 2016, toen appellant ernstige schouderklachten kreeg en cannabisgebruik als pijnmedicatie begon.
Een onafhankelijke deskundige concludeerde dat de verslavingsproblematiek en persoonlijkheidsstoornis niet leidden tot duurzaam onvermogen tot arbeidsparticipatie. Appellant was medisch gezien belastbaar en kon taken uitvoeren. De Raad volgde dit oordeel en oordeelde dat appellant op de datum van de aanvraag beschikte over arbeidsvermogen.
De Raad bevestigde het bestreden besluit, wees het hoger beroep af en veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellant. Tevens werd het griffierecht aan appellant vergoed.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering omdat appellant beschikte over arbeidsvermogen en geen nieuwe feiten zijn aangevoerd.