ECLI:NL:CRVB:2026:103

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
24/961 PW-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:84 AwbArt. 7:3 AwbArt. 31 PWArt. 32 PWArt. 35 PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag eenmalige energietoeslag 2022 wegens inkomensgrens en beleidsvrijheid gemeente

Appellant, ontvanger van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, vroeg op 14 december 2022 een eenmalige energietoeslag aan bij het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade. Het college wees de aanvraag af omdat het inkomen van appellant meer dan 120% van de toepasselijke norm bedroeg. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond en oordeelde dat het college het inkomen correct had vastgesteld volgens de Participatiewet.

Appellant voerde onder meer aan dat het college het gelijkheidsbeginsel schond omdat andere gemeenten een hogere inkomensnorm hanteren, en dat de hardheidsclausule toegepast had moeten worden vanwege zijn alimentatieverplichting en kosten bewindvoering. De rechtbank verwierp deze gronden, stellende dat gemeenten beleidsvrijheid hebben bij het bepalen van de doelgroep en inkomensgrens en dat er geen dringende redenen waren om van het beleid af te wijken.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad benadrukte dat het college bij de beleidsregels rekening heeft gehouden met huishoudens die net boven de inkomensgrens vallen en dat het college geen uitzonderingen kan maken om de regeling uitvoerbaar en helder te houden. Ook werd geoordeeld dat het bezwaar kennelijk ongegrond was en dat appellant daarom niet gehoord hoefde te worden.

De Raad wees het hoger beroep af, liet de kostenveroordeling in stand en wees een vergoeding van proceskosten en wettelijke rente af.

Uitkomst: De aanvraag voor een eenmalige energietoeslag 2022 wordt afgewezen omdat het inkomen van appellant boven de inkomensgrens ligt en het college geen uitzonderingen kan maken.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer

24.961 PW-PV

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 13 maart 2024, 23/1390 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het College van burgemeester en wethouders van Kerkrade (college)
Datum uitspraak: 20 januari 2026
Zitting heeft: A.M. Overbeeke
Griffier: L. van Beelen
Namens appellant is mr. B.J.J. Schins, advocaat, verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door C.B.A.D. Graper-Hanneman.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Appellant ontvangt een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Op 14 december 2022 heeft appellant bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (PW) in de vorm van een eenmalige energietoeslag aangevraagd. Met een besluit van 3 januari 2023, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 31 mei 2023 (bestreden besluit) heeft het college deze aanvraag afgewezen op de grond dat het inkomen van appellant meer bedraagt dan 120% van de toepasselijke norm.
2.1.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij – samengevat – het volgende overwogen. De rechtbank stelt vast dat de Beleidsregels Eenmalige energietoeslag 2022 gemeente Kerkrade (de Beleidsregels) zijn gebaseerd op artikel 35 van Pro de PW, wat betekent dat voor betreft het begrip ‘inkomen’ uitgegaan moet worden van datgene wat daaronder ingevolge de artikelen 31 en 32 van de PW wordt begrepen. De rechtbank oordeelt dat het college het inkomen van appellant heeft vastgesteld op de manier zoals dat in de PW is voorgeschreven. Er is geen wettelijke verplichting of een beleidsregel waaruit volgt dat een alimentatieverplichting of de kosten van bewindvoering meegenomen moeten worden in de berekening van het inkomen. Het college heeft de berekening van het inkomen in het bestreden besluit wel onderbouwd. Dat blijkt uit het advies van de commissie dat onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit.
2.2.
Ook de beroepsgrond dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel omdat andere
gemeenten een andere, hogere norm hanteren dan het college, slaagt niet. De rechtbank heeft onder verwijzing naar de Memorie van Toelichting geoordeeld dat gemeenten beleidsvrijheid hebben bij het vormgeven van de energietoeslag. Colleges mogen onder andere zelf de doelgroep, de inkomensgrens en de hoogte van de toeslag bepalen.
2.3.
Op grond van artikel 5 van Pro de Beleidsregels kan het college als de aanvrager niet
in aanmerking komt voor een eenmalige energietoeslag 2022, gelet op alle omstandigheden,
in het individuele geval besluiten dat de aanvrager in afwijking van de beleidsregel toch in
aanmerking komt voor de eenmalige energietoeslag indien dringende redenen hiertoe
noodzaken. De rechtbank is van oordeel dat het college geen toepassing heeft hoeven geven
aan de hardheidsclausule, omdat de rechtbank niet is gebleken van dringende redenen om af te wijken van de Beleidsregels. De maandelijkse alimentatieverplichting van appellant en de
maandelijkse kosten voor zijn bewindvoering kunnen op zichzelf en tezamen niet als
zodanig worden aangemerkt. Ook is de rechtbank niet gebleken van omstandigheden, die
het college aanleiding hadden moeten geven op grond van artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) af te wijken van de Beleidsregels. Appellant heeft niet met concrete feiten en omstandigheden onderbouwd dat er wel (dringende) redenen zijn om van het beleid af te wijken.
2.4.
Over het niet horen in bezwaar oordeelt de rechtbank als volgt. Uitgangspunt is dat
er een hoorplicht bestaat, tenzij een van de uitzonderingen van artikel 7:3 van Pro de Awb zich
voordoet. Er is sprake van een kennelijk ongegrond bezwaar wanneer uit het bezwaarschrift
direct al blijkt dat de bezwaren ongegrond zijn en daarover geen redelijke twijfel is. De
inhoud van het bezwaarschrift moet wel worden beoordeeld in samenhang met wat er in
eerste instantie is aangevoerd en met de motivering van het primaire besluit. De rechtbank is
van oordeel dat het college zich op grond van wat appellant in het bezwaarschrift naar voren heeft gebracht op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar en dat appellant daarom niet hoefde te worden gehoord.
3. De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank.
3.1.
De Raad voegt hier nog het volgende aan toe.
3.1.1.
Uit de toelichting bij de hardheidsclausule zoals opgenomen in artikel 5 van Pro de Beleidsregels, blijkt dat het college er rekening mee heeft gehouden dat het hanteren van een inkomensgrens voor het recht op energietoeslag betekent dat huishoudens met een inkomen net boven die inkomensgrens niet in aanmerking komen voor energietoeslag. Het college kan daarbij geen uitzonderingen maken. Zo wordt de regeling helder en goed uitvoerbaar gehouden. Voor de groep niet rechthebbenden kan op individuele basis maatwerk worden geleverd met individuele bijzondere bijstand.
3.1.2.
Anders dan appellant heeft gesteld blijkt uit het advies van de commissie dat is overgenomen bij de beslissing op bezwaar dat de commissie heeft geadviseerd om de bezwaren kennelijk ongegrond te verklaren.
3.1.3.
De beroepsgrond dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het evenredigheidsbeginsel slaagt niet. Appellant heeft deze beroepsgrond niet onderbouwd. Ook voorzien de Beleidsregels niet in een toekenning van een bedrag naar evenredigheid.
4. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht. Daarom bestaat ook voor vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) L. van Beelen (getekend) A.M. Overbeeke