Uitspraak
17 juli 2025, 24/10103
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam. De gemachtigde van appellant is bij brief van 29 augustus 2025 en opnieuw bij aangetekende brief van 29 september 2025 gewezen op de verplichting tot betaling van het griffierecht van €143,00 binnen respectievelijk 28 dagen en vier weken na de datum van de brieven.
Ondanks deze waarschuwingen is het griffierecht niet betaald binnen de gestelde termijnen. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellant in verzuim is en verklaart het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
De uitspraak is gedaan door rechter D. Hardonk-Prins in aanwezigheid van griffier A. Giesen en is uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2026. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken schriftelijk verzet worden ingesteld.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht binnen de gestelde termijn.