Uitspraak
24 mei 2024, 23/5378 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant had tegen een boetebesluit van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) beroep ingesteld bij de rechtbank, die het beroep gegrond verklaarde en de boete vernietigde. De rechtbank gaf de Svb opdracht een nieuw besluit te nemen. De Svb kwam met een nieuw besluit waarin het bezwaar van appellant werd gehonoreerd en de boete kwam te vervallen.
Appellant stelde vervolgens hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank, maar trok dit hoger beroep later in en verzocht de Raad om de Svb te veroordelen in de proceskosten. De Svb betwistte dit verzoek en stelde dat appellant geen belang had bij het hoger beroep omdat het nieuwe besluit al tegemoet was gekomen aan de bezwaren.
De Raad overwoog dat hoewel de rechtbank op grond van de Awb zelf een beslissing had moeten nemen over de boete, het hoger beroep niet nodig was omdat de Svb geen ruimte had om alsnog een boete op te leggen. De Raad volgde de Svb in haar standpunt dat de proceskosten niet redelijkerwijs zijn gemaakt en wees het verzoek om proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het verzoek om proceskostenveroordeling wordt afgewezen omdat appellant geen belang had bij het hoger beroep en de proceskosten niet redelijkerwijs zijn gemaakt.