ECLI:NL:CRVB:2026:139

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
24/571 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens handel in alcoholhoudende dranken

Appellant ontving sinds 2015 bijstand en werd door het college beschuldigd van het illegaal verkopen van alcoholhoudende dranken, wat hij niet had gemeld. Na anonieme meldingen en onderzoek door de sociale recherche, waaronder een pseudokoop en getuigenverklaringen, trok het college de bijstand in en vorderde het de kosten terug.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het bewijs, waaronder Facebook-berichten, bankafschrijvingen en getuigenverklaringen, voldoende was om de handel in alcoholhoudende dranken aan te tonen. De verklaring van een vriend van appellant werd niet geloofd.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat de getuigenverklaring onder dwang was afgelegd en dat het onderzoek onzorgvuldig was, maar de Raad oordeelde dat dit een herhaling was van eerdere gronden en dat ook zonder die verklaring de handel aannemelijk was. Het hoger beroep werd verworpen, waardoor de intrekking en terugvordering gehandhaafd blijven.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand blijven gehandhaafd.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/571 PW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 6 februari 2024, 22/2623 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond (college)
Datum uitspraak: 27 januari 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over een intrekking en terugvordering van bijstand. Aan de intrekking en terugvordering ligt ten grondslag dat appellant in alcoholhoudende dranken heeft gehandeld en daaruit inkomsten heeft ontvangen. Appellant heeft zijn inlichtingenverplichting geschonden door dit niet te melden. Als gevolg van deze schending kan het college het recht op bijstand niet vaststellen. Appellant is het daar niet mee eens en voert aan dat het niet aannemelijk is geworden dat hij alcoholhoudende dranken heeft verkocht. Hij krijgt daarin geen gelijk.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. Y. Kayabasi, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 16 december 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. S.B.M.A. Engelen, advocaat en kantoorgenoot van mr. Kayabasi, en een tolk. Het college is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant ontving sinds 19 januari 2015 bijstand op grond van de Participatiewet naar de norm van een alleenstaande.
1.2.
Het college heeft op 9 januari 2020 een anonieme melding ontvangen inhoudende dat appellant zeven dagen per week alcoholhoudende dranken verkoopt, dat er besteld kan worden op het nummer 06-(...) en dat appellant zich Y noemt. Op 27 februari 2020 heeft het college opnieuw een anonieme melding ontvangen dat appellant handelt in alcoholhoudende dranken, nu met vermelding van de auto en het kenteken waarvan hij gebruik maakt. Naar aanleiding van deze meldingen heeft de sociale recherche onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft een sociaal rechercheur onder meer dossier- en internetonderzoek gedaan, bankafschriften bij appellant opgevraagd, een pseudokoop van alcoholhoudende drank bij appellant verricht, een getuigenverklaring afgenomen, en gesprekken met appellant gevoerd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 11 december 2020.
1.3.
Met een besluit van 23 december 2020, zoals gewijzigd met een besluit van 4 mei 2021, heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 april 2020 ingetrokken. Met een besluit van 27 januari 2021 heeft het college kosten van bijstand over de periode van 1 april 2018 tot en met 30 september 2020 tot een bedrag van € 38.738,78 van appellant teruggevorderd.
1.4.
Het college heeft met een besluit van 26 september 2022 (bestreden besluit) de intrekking en terugvordering van de bijstand gehandhaafd. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellant in de periode van 1 april 2018 tot en met 30 september 2020 in alcoholhoudende dranken heeft gehandeld en daaruit inkomsten heeft ontvangen. Appellant heeft in de jaren 2018, 2019 en 2020 maandelijks tientallen berichten/foto’s op Facebook geplaatst die te maken hadden met handel in alcoholhoudende dranken. In de te beoordelen periode hebben op de bankrekening van appellant 126 bijschrijvingen plaatsgevonden. De verklaring van appellant dat de bijschrijvingen afkomstig zijn van mensen voor wie hij boodschappen deed, vindt het college niet aannemelijk. Ook vindt het college niet aannemelijk dat de vriend van appellant (X) de Facebookpagina van appellant illegaal zou gebruiken en dat hij de mobiele telefoon van appellant in gebruik had. Een getuige heeft verklaard dat appellant in de periode van 21 februari 2019 tot en met 9 juni 2020 zes keer alcoholhoudende dranken aan hem heeft verkocht. Ook heeft appellant op 24 september 2020 bier aan een sociaal rechercheur verkocht. Appellant trad daarbij op als contactpersoon en haalde het bier uit de bagageruimte om dat aan de sociaal rechercheur te overhandigen. Appellant bestuurde de auto en de bijrijder, X, bemoeide zich ook niet met de verkoop. De op 29 juni 2021 overgelegde schriftelijke verklaring van X dat hij en niet appellant op 24 september 2020 alcoholhoudende dranken had verkocht, is niet geloofwaardig en in strijd met de op ambtseed gemaakte bevindingen van de sociaal rechercheur. Appellant heeft de handel in alcoholhoudende dranken niet doorgegeven aan het college en daarmee zijn inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft onder meer geoordeeld dat de onderzoeksbevindingen van het college voldoende aanknopingspunten bieden voor het standpunt van het college dat appellant in de te beoordelen periode alcoholhoudende dranken heeft verkocht en daarmee geld heeft verdiend. Op Facebook kwam bij het intypen van het mobiele nummer, dat bij het college sinds 2015 bekend was als het nummer van appellant, het Facebook-account van Y te voorschijn. Op dit Facebook-account zijn maandelijks berichten en foto’s geplaatst, gericht op de verkoop van bier en sterke drank. Daarbij stond het nummer van appellant vermeld. De Whatsapp-foto bij dat mobiele nummer was een foto van appellant. Ook is uit de foto’s van de alcoholhoudende dranken op het Facebook-account op te maken dat deze in de woning van appellant zijn gemaakt. Dat de foto’s in zijn woning zijn gemaakt heeft appellant ook bevestigd. Dat appellant alcoholhoudende dranken heeft verkocht blijkt verder uit de getuigenverklaring van 26 november 2020 en uit de verkoop van bier aan de sociaal rechercheur op 24 september 2020. De rechtbank heeft geoordeeld dat de verklaring van X, inhoudende dat hij en niet appellant op 24 september 2020 bier aan de sociaal rechercheur heeft verkocht, dat hij een beroep op appellant kan doen als hij geen vervoer heeft en dat appellant zijn telefoon beantwoordt als Y als hij verhinderd is, niet geloofwaardig is. De rechtbank kent daarbij betekenis toe aan de omstandigheid dat objectief bewijs van deze stellingen ontbreekt.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij voert aan dat hij geen alcoholhoudende dranken verkoopt of heeft verkocht. Volgens appellant had de rechtbank waarde moeten hechten aan de verklaring van X. Het college heeft onzorgvuldig onderzoek verricht en niet aannemelijk gemaakt dat hij verkoopactiviteiten heeft verricht. Ook wijst appellant erop dat de getuigenverklaring van 26 november 2020 onder dwang is gegeven.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de intrekking en terugvordering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging daarvan in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 2 weergegeven overwegingen waarop dat oordeel berust. Dat oordeel wordt niet anders omdat appellant stelt dat de getuigenverklaring onder dwang is afgegeven. Dat is alleen al het geval omdat ook zonder die verklaring aannemelijk is dat appellant alcoholhoudende dranken heeft verkocht.

Conclusie en gevolgen

4.2.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de intrekking en terugvordering in stand blijven.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen in tegenwoordigheid van M. Ramanand als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2026.

(getekend) P.W. van Straalen

De griffier is verhinderd te ondertekenen