Uitspraak
19 maart 2024, 22/3170 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag, maar het beroepschrift is niet tijdig ingediend. Volgens artikel 6:7 Awb Pro bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken, ingaand de dag na bekendmaking van de uitspraak. De aangevallen uitspraak is op 3 april 2024 aan partijen toegezonden, waardoor de beroepstermijn eindigde op 16 mei 2024.
Het beroepschrift van appellant werd echter pas op 23 mei 2024 ontvangen, wat betekent dat het na afloop van de beroepstermijn is ingediend. Appellant voerde aan dat hij door de hoeveelheid ontvangen brieven niet eerder kon reageren en dat andere instanties ook meer dan zes weken nodig hebben, maar dit werd niet als een verschoonbare omstandigheid erkend.
De Raad oordeelde dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is en dat appellant tijdig pro forma hoger beroep had kunnen instellen om de termijn te waarborgen. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard zonder verdere inhoudelijke behandeling. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige indiening van het beroepschrift en niet-verschoonbare termijnoverschrijding.