ECLI:NL:CRVB:2026:144

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
23/1885 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking hoger beroep na volledige tegemoetkoming door UWV met proceskostenveroordeling

Appellant stelde hoger beroep in tegen een beslissing van het UWV. Tijdens de procedure heeft het UWV een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen waarin het volledig tegemoetkwam aan de bezwaren van appellant. Hierdoor trok appellant het hoger beroep in.

De Raad heeft vervolgens alleen nog beoordeeld welke proceskosten appellant redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep. Op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht werd het bedrag vastgesteld op €5.137,- voor verleende rechtsbijstand en €186,- voor griffierecht.

De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van deze kosten. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 5 februari 2026, waarbij het onderzoek ter zitting achterwege bleef vanwege de intrekking van het hoger beroep.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht na intrekking van het hoger beroep wegens volledige tegemoetkoming.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

23/1885 WW
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 mei 2023, 22/5735 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 5 februari 2026

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.E. Dekker, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2025. De Raad heeft het onderzoek ter zitting heropend om aan het Uwv een vraagstelling voor te leggen.
Het Uwv heeft de vraagstelling van de Raad beantwoord en een nader stuk ingediend. Appellant heeft hierop gereageerd.
De Raad heeft de zaak doorverwezen naar een meervoudige kamer.
De Raad heeft de zaak opnieuw ter zitting behandeld op 9 april 2025. De Raad heeft het onderzoek ter zitting heropend om aan het Uwv een nadere vraagstelling voor te leggen.
Appellant heeft op verzoek van de Raad nadere stukken ingediend.
Het Uwv heeft gereageerd op de vraagstelling van de Raad en nadere stukken ingediend. Appellant heeft hierop gereageerd.
Het Uwv heeft op 12 augustus 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Met een e-mailbericht van 30 september 2025 heeft mr. Dekker namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft bij brief van 14 oktober 2025 meegedeeld zich te conformeren aan de uitspraak van de Raad over de proceskosten.
De zaak is verwezen naar een enkelvoudige kamer.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Appellant heeft het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 12 augustus 2025 volledig aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen.
Bij de gewijzigde beslissing op bezwaar van 12 augustus 2025 heeft het Uwv de kosten van bezwaar vergoed. Dit betekent dat de Raad alleen hoeft te oordelen over de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1) en € 3.269,- in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift, 1 punt voor verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor een op verzoek van de Raad gegeven reactie, 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting en 0,5 punt voor een reactie op de gewijzigde beslissing op bezwaar van 12 augustus 2025, met een waarde per punt van € 934,-) voor verleende rechtsbijstand. In totaal € 5.137,-.
Hoewel het Uwv al bij de beslissing op bezwaar van 12 augustus 2025 heeft toegezegd het griffierecht te zullen vergoeden, zal de Raad voor de duidelijkheid bepalen dat het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht vergoedt.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 5.137,-;
- bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 186,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2026.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) M.G.J. van Eck