ECLI:NL:CRVB:2026:152

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
25/2324 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:86 AwbArt. 8:104 AwbArt. 8:108 AwbArt. 6:22 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid

Verzoekster heeft een WIA-uitkering aangevraagd, maar het Uwv heeft deze geweigerd omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Na bezwaar en beroep heeft de rechtbank het besluit van het Uwv bevestigd. Verzoekster voerde aan dat haar beperkingen, zowel lichamelijk als psychisch, zijn onderschat en dat de geselecteerde functies niet geschikt zijn. Zij vroeg ook om een onafhankelijke medische deskundige en een voorlopige voorziening vanwege haar financiële situatie.

De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep behandeld en geoordeeld dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend. De medische en arbeidskundige beoordelingen zijn zorgvuldig en de beperkingen zijn adequaat vastgesteld. De Raad wees het verzoek om een onafhankelijke deskundige en de voorlopige voorziening af. De Raad oordeelde dat de schending van de motiveringsplicht in het bestreden besluit niet tot benadeling van verzoekster heeft geleid.

De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en het bestreden besluit, wees het verzoek om voorlopige voorziening af en veroordeelde het Uwv tot vergoeding van de proceskosten en griffierecht van verzoekster.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat verzoekster minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/2324 WIA, 25/2538 WIA-VV
Uitspraak met toepassing van artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 oktober 2025, 24/3139 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om een voorlopige voorziening
Partijen:
[verzoekster] te [woonplaats] (Hongarije) (verzoekster)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 13 februari 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht verzoekster per 21 november 2022 geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens verzoekster heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens verzoekster heeft mr. M. Berkel, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Het Uwv heeft verweerschriften en nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 9 februari 2026. Partijen hebben via videobellen deelgenomen aan de zitting. Namens verzoekster is mr. V.C.D. Klaassen, kantoorgenoot van mr. Berkel, verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.L.M. Dunselman.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Verzoekster heeft voor het laatst gewerkt als speeltuincoördinator voor gemiddeld 32,11 uur per week. Op 23 november 2020 heeft zij zich ziekgemeld met lichamelijke en psychische klachten. Zij ontving toen een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Het Uwv heeft verzoekster een uitkering op grond van de Ziektewet toegekend. Nadat verzoekster een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat verzoekster bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 24 november 2022. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat verzoekster niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor verzoekster functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 12 december 2022 geweigerd verzoekster met ingang van 21 november 2022 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Bij besluit van 12 september 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door verzoekster gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft extra beperkingen aangenomen op lopen en lopen tijdens het werk en heeft de FML op 4 september 2023 aangepast. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft een geselecteerde reservefunctie laten vervallen wegens een overschrijding op deadlines en productiepieken. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de mate van arbeidsongeschiktheid van verzoekster nader vastgesteld op 24,47%.
Uitspraak van de rechtbank
2. Verzoekster is in beroep gegaan tegen het bestreden besluit. Naar aanleiding van een ingezonden rapport van 9 september 2024 van een klinisch maatschappelijk werker en psycholoog heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep een extra beperking aangenomen op persoonlijk functioneren. De FML is daarom op 22 oktober 2024 aangepast. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat de geselecteerde functies onveranderd geschikt zijn voor verzoekster.
2.1.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
2.2.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig is verricht. Alle medische gegevens zijn op een deugdelijke en kenbare wijze betrokken bij de medische beoordeling. De rapporten zijn inzichtelijk, bevatten geen tegenstrijdigheden en het onderzoek kan de getrokken conclusies dragen.
2.3.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep is in het rapport van 20 augustus 2025 uitvoerig ingegaan op het aanvullend beroepschrift. Wat verzoekster daarin aanvoert, geeft geen grond voor twijfel aan het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Verzoekster heeft geen nieuwe medische stukken ingebracht die zouden kunnen leiden tot het aannemen van meer of andere beperkingen. De rechtbank heeft het Uwv dan ook gevolgd in zijn standpunt dat geen verdergaande beperkingen aangenomen hoeven te worden. Het bestreden besluit berust dus op een deugdelijke medische grondslag. Voor het benoemen van een onafhankelijke medische deskundige heeft de rechtbank geen aanleiding gezien.
2.4.
De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, uitgaande van de juistheid van de FML met zijn rapporten van 7 september 2023 en 24 oktober 2024 de geschiktheid van de geselecteerde functies voldoende heeft gemotiveerd. Het bestreden besluit berust dus ook op een deugdelijke arbeidskundige grondslag.
Het hoger beroep van verzoekster
3. Verzoekster is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Verzoekster heeft tegen die uitspraak het volgende aangevoerd.
3.1.
Verzoekster heeft te kampen met een breed scala aan lichamelijke en psychische ziektebeelden. Verzoekster meent dat haar beperkingen per de datum in geding zijn onderschat. In de beoordeling is onvoldoende rekening gehouden met de wisselwerking tussen de lichamelijke en psychische klachten en de daaruit voortvloeiende beperkingen in functioneren, belastbaarheid en herstelbehoefte. Verzoekster stelt dat zij per de datum in geding te maken had met structurele klachten en beperkingen (zowel lichamelijk als psychisch), waaronder pijn- en vermoeidheidsklachten, concentratie- en aandachtsproblemen en een verhoogde recuperatiebehoefte. Vanwege verzoeksters psychische klachten hadden aanvullende beperkingen moeten gelden voor persoonlijk en sociaal functioneren. De motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep strookt niet met constateringen van de Hongaarse psycholoog, waaruit duidelijk volgt dat verzoekster bang voor anderen is, geen relaties opzoekt, persoonlijke interactie uit de weggaat en weinig contact heeft met haar familieleden. Ook is verzoeksters arm- en schouderproblematiek onvoldoende verdisconteerd in de FML. Tijdens de (spreekuur)contacten met de verzekeringsartsen heeft verzoekster herhaaldelijk gemeld dat zij beperkingen heeft aan haar arm en schouder, waaronder het niet (volledig) kunnen heffen van haar arm. Verzoekster ziet deze meldingen en de functionele consequenties niet terug in de medische verslaglegging en de beoordeling. Verder was een urenbeperking op zijn plaats geweest. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft verzoekster verwezen naar het onder 2 genoemde rapport van de klinisch maatschappelijk werker en psycholoog en informatie van een reumatoloog van 29 oktober 2025 en 10 november 2025 en de uitslag van een echoonderzoek op 5 december 2025.
3.2.
Verzoekster meent verder dat de geselecteerde functies ten onrechte als geschikt zijn aangemerkt en dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onvoldoende concreet en verifieerbaar heeft gemotiveerd waarom de daadwerkelijke belasting in deze functies binnen de grenzen van verzoeksters belastbaarheid blijven. Verzoekster heeft haar bezwaren per functie nader toegelicht. Met name op conflicten en tillen en dragen zijn de functies niet geschikt.
3.3.
Verzoekster heeft de Raad verzocht een onafhankelijke medische deskundige te benoemen.
Het verzoek om voorlopige voorziening
3.4.
Ter onderbouwing van het spoedeisend belang heeft verzoekster gesteld dat zij de afhandeling van de bodemzaak niet kan afwachten. De reden daarvan is dat verzoekster in een penibele financiële situatie verkeert. Verzoekster heeft haar financiële situatie toegelicht. Verzoekster is in Hongarije niet in staat om een inkomen te verwerven door haar slechte en nog altijd erger wordende gezondheidssituatie. Het verzoek strekt ertoe dat een voorlopige voorziening wordt getroffen waarbij het Uwv wordt opgedragen een (voorschot op de) WIA-uitkering te verstrekken.
Het standpunt van het Uwv
3.5.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Mede vanwege de onder 4.1 genoemde ingediende informatie van de reumatoloog en de uitslag van het echoonderzoek heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanleiding gezien extra beperkingen aan te nemen op zwaar duwen en trekken, langdurig boven schouderhoogte werken en frequent reiken. De FML is op 15 januari 2026 aangepast. Vanwege een overschrijding op reiken heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep twee reservefuncties laten vervallen. De mate van arbeidsongeschiktheid van verzoekster is daarbij ongewijzigd vastgesteld op 25,47%.

Het oordeel van de Raad

4. De voorzieningenrechter van de Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten. Dit doet de voorzieningenrechter aan de hand van wat verzoekster in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt en dat het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
Op grond van de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:81 van Pro de Awb kan, als tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4.2.
Op grond van artikel 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.
4.3.
De voorzieningenrechter ziet in wat verzoekster ter zitting uiteen heeft gezet over haar financiële situatie, een voldoende spoedeisend belang gelegen. De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat in dit geval de onder 5.2 bedoelde situatie zich voordoet en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
4.4.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
4.5.
Wat verzoekster in hoger beroep heeft aangevoerd, is grotendeels een herhaling van de gronden die zij al in beroep naar voren heeft gebracht.
4.6.
Haar psychische klachten heeft verzoekster ook in hoger beroep onderbouwd met een verwijzing naar het in beroep overgelegde rapport van 9 september 2024 van een klinisch maatschappelijk werker en psycholoog uit Hongarije. De rechtbank heeft in dit rapport terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat voor verzoekster meer beperkingen gelden dan die welke door het Uwv in beroep alsnog zijn aangenomen. Het rapport beschrijft verzoeksters situatie en klachten in de periode van mei tot september 2024, waarbij is geconcludeerd dat de toestand van verzoekster op bepaalde gebieden is gestagneerd of verslechterd. In zijn nadere rapport van 22 oktober 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep er terecht op gewezen dat de door de psycholoog gestelde diagnoses angst- en depressieve stoornis en PTSS ruim na de datum in geding zijn gesteld. De Raad stelt vast dat verzoekster op een spreekuur van 25 juli 2022 tegenover de verzekeringsarts van het Uwv heeft verklaard dat sinds zij medio 2021 naar Hongarije is geëmigreerd, het goed met haar gaat, dat zij een normale dagstructuur en activiteiten heeft en zij voor wat betreft haar PTSS baat heeft gehad bij de gevolgde EMDR-behandelingen en zij daarvoor geen behandeling meer heeft. Soms heeft verzoekster nog herbelevingen, die spontaan komen en ook weer spontaan overgaan. Bij het onderzoek op 24 november 2022 door diezelfde verzekeringsarts heeft verzoekster verklaard dat haar klachtenbeeld ten opzichte van het voorgaande spreekuurcontact ongewijzigd is. Hoewel zowel bij het medisch onderzoek in juli 2022 als in november 2022 door de verzekeringsarts geen afwijkingen in de psyche bij verzoekster zijn geconstateerd, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep verzoekster voor wat betreft eventuele problemen met aandacht en concentratie het voordeel van de twijfel gegeven door een extra beperking aan te nemen voor veelvuldige storingen en onderbrekingen. De voorzieningenrechter acht dit standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk en overtuigend. Voor zover uit het rapport van de klinisch maatschappelijk werker en psycholoog moet worden opgemaakt dat de psychische problematiek bij verzoekster na de datum in geding is toegenomen, kan verzoekster zich melden bij het Uwv voor een aanvraag op grond van artikel 55 van Pro de Wet WIA.
4.7.
Voor wat betreft de fysieke klachten heeft verzoekster in hoger beroep informatie van eind 2025 overgelegd over medische onderzoeken naar artrose aan het schoudergewricht vanwege pijnklachten en bewegingsbeperkingen aan de schouder. In reactie hierop heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 15 januari 2026 toegelicht dat in de FML al rekening is gehouden met schouderslijtage door beperkingen aan te nemen voor krachtige frequente arm- en handschroefbewegingen en voor zwaar tillen en dragen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aanleiding gezien in verband met de artrose aanvullende beperkingen aan te nemen op zwaar duwen en trekken, langdurig boven schouderhoogte werken en frequent reiken met de schouder. Voor verdergaande beperkingen op de datum in geding heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen medische noodzaak gezien. Bij het lichamelijk onderzoek door de verzekeringsarts op 25 juli 2022 was de schouderfunctie nog niet beperkt, terwijl het bij schouderslijtage juist belangrijk is om de schouder te blijven gebruiken en de normale dingen elke dag te blijven doen. De bevindingen van de reumatoloog op 29 oktober 2025, die spreekt over een zogeheten frozen shoulder, zien op een datum ver na de datum in geding. Deze inzichtelijke en overtuigende motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt gevolgd. Verzoekster heeft geen medische gegevens ingebracht die haar standpunt ondersteunen dat op de datum in geding sprake was van verdergaande schouderklachten dan die, welke in hoger beroep alsnog door de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn aangenomen.
4.8.
Het Uwv heeft ten slotte met de rapporten van de verzekeringsarts arts bezwaar en beroep van 22 oktober 2024, 20 augustus 2025 en 15 januari 2026 deugdelijk gemotiveerd dat en waarom voor een urenbeperking geen indicatie aanwezig is.
4.9.
Twijfel die zou noodzaken om tot het benoemen van een deskundige over te gaan, ontbreekt, zodat de rechtbank terecht geen aanleiding heeft gezien een deskundige te benoemen. Ook in hoger beroep bestaat daarvoor geen aanleiding, zodat het daartoe strekkende verzoek wordt afgewezen.
Arbeidskundige beoordeling
4.10.
Uitgaande van de juistheid van de FML van 15 januari 2026 heeft het Uwv voldoende gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor verzoekster. De door verzoekster gestelde arbeidskundige gronden houden niet meer in dan de stelling dat er meer medische beperkingen zijn dan door het Uwv zijn aangenomen en deze stelling treft, zoals hiervoor is overwogen, geen doel. In de functies is voorts geen sprake van een risico op conflicten, anders dan in telefonische of schriftelijke contacten. Voorts blijven de functies voor wat betreft belasting bij tillen en dragen ver onder de in de FML aangegeven belastbaarheid.

Conclusie en gevolgen

4.11.
Pas in hoger beroep is een afdoende medische en arbeidskundige onderbouwing voor het bestreden besluit gegeven. Deze schending van artikel 7:12, eerste lid, van de Awb zal onder toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb worden gepasseerd, omdat aannemelijk is dat verzoekster hierdoor niet is benadeeld. Ook als het gebrek in het bestreden besluit zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen.
4.12.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, met verbetering van gronden. Dit betekent dat de weigering verzoekster een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.
4.13.
Omdat de aangevallen uitspraak bevestigd wordt en het bestreden besluit in stand blijft, komt het verzoek om een voorlopige voorziening niet voor toewijzing in aanmerking.
5. De toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb geeft aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van verzoekster. Deze kosten worden begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 934,- per punt) en € 1.868,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 934,- per punt) voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 3.736,-. Tevens dient het Uwv het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van in totaal € 3.736,-;
- bepaalt dat het Uwv aan verzoekster het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 193,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van D. Semiz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2026.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) D. Semiz