ECLI:NL:CRVB:2026:157

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
23/1345 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIAArt. 8:32 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid op 41,52% in hoger beroep WIA-uitkering

Appellante, voormalig mechanisch operator, maakte bezwaar tegen het UWV-besluit waarin haar arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 41,52% per 11 september 2021. Zij stelde dat zij meer medische beperkingen had dan het UWV aannam. Na diverse medische en arbeidskundige onderzoeken, waaronder door verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen, concludeerde het UWV dat de beperkingen juist waren vastgesteld en dat passende functies beschikbaar waren.

De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen adequaat waren gemotiveerd. Appellante voerde in hoger beroep aan dat er sprake was van ernstige psychische en persoonlijkheidsproblematiek en verwees naar aanvullende medische rapporten en verslagen.

De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en het UWV, oordeelde dat de medische beoordeling juist en voldoende onderbouwd was, en dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst passend waren. De Raad wees het verzoek tot benoeming van een deskundige af en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Appellante kreeg geen vergoeding van proceskosten omdat het hoger beroep niet slaagde.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante 41,52% bedraagt en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

23/1345 WIA
Datum uitspraak: 18 februari 2026
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 maart 2023, 22/3092 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
[ex-werkgeefster B.V.] (ex-werkgeefster)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 11 september 2021 heeft vastgesteld op 41,52%. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid juist heeft vastgesteld.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.B. van Voorthuizen, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.
De ex-werkgever heeft te kennen gegeven als derde-belanghebbende deel te nemen aan het geding.
Omdat appellante geen toestemming heeft gegeven om haar medische gegevens aan de exwerkgeefster te verstrekken, heeft de Raad onder toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaald dat kennisneming van medische stukken is voorbehouden aan de gemachtigde van de ex-werkgeefster.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 8 oktober 2025. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Voorthuizen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal. De ex-werkgeefster heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als mechanisch operator voor 36 uur per week. Op 29 december 2017 heeft zij zich ziekgemeld wegens lichamelijke klachten. Het Uwv heeft appellante met ingang van 27 december 2019 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 37,53%.
1.2.
Bij besluit van 28 juni 2021 heeft het Uwv appellante medegedeeld dat haar loongerelateerde WGA-uitkering met ingang van 11 september 2021 wordt omgezet in een WGAvervolguitkering, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Aan dit besluit is geen sociaal medische beoordeling voorafgegaan.
1.3.
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 28 juni 2021. Het Uwv heeft daarop een medisch en arbeidskundig onderzoek verricht. Appellante heeft op 1 oktober 2021 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante vanaf 10 maart 2021 belastbaar is met inachtneming van de beperkingen zoals neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 4 november 2021. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens vastgesteld dat er onvoldoende voor appellante geschikte functies te selecteren zijn en heeft de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante vastgesteld op 100%. Bij brief van 21 december 2021 heeft het Uwv appellante op de hoogte gebracht van de bevindingen van het onderzoek en medegedeeld dat het voornemen bestaat haar met ingang van 11 september 2021 een WGA-loonaanvullingsuitkering toe te kennen. De ex-werkgever van appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dit voornemen en heeft aangevoerd dat het voorgenomen besluit onvoldoende gemotiveerd is.
1.4.
Een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier bestudeerd, appellante medisch onderzocht en informatie ingewonnen bij de behandelend sector. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft (mede) op grond van haar bevindingen bij onderzoek reden gezien om enkele beperkingen in de FML van 4 november 2021 te laten vervallen. Appellante wordt niet langer beperkt geacht voor frequent reiken en voor het vasthouden en het verdelen van de aandacht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft een nieuwe FML van 16 februari 2022 opgesteld. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft uitgaande van deze FML voldoende functies kunnen selecteren en berekend dat appellante 41,52% arbeidsongeschikt is. Bij brief van 24 februari 2022 heeft het Uwv appellante op de hoogte gebracht van het voornemen het besluit van 28 juni 2021 te wijzigen. Appellante wordt per 11 september 2021 in aanmerking gebracht voor een WGA-vervolguitkering omdat zij 41,52% arbeidsongeschikt is. De hoogte van haar WGA-vervolguitkering wijzigt daarbij niet omdat zij ongewijzigd 35 tot 45% arbeidsongeschikt is.
1.5.
Appellante en haar ex-werkgeefster hebben op dit voornemen gereageerd. Appellante heeft onder verwijzing naar informatie van haar behandelaars bij de [naam groep] en een medisch rapport van 5 april 2022 van verzekeringsarts M.J. Gerritze aangevoerd meer beperkt te zijn in haar belastbaarheid.
1.6.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep hebben geen aanleiding gezien anders te concluderen. Bij besluit van 30 mei 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante gegrond verklaard en vastgesteld dat appellante 41,52% arbeidsongeschikt is. Haar verdiencapaciteit bedraagt € 2.120,16 per maand. Appellante blijft 35 tot 45% arbeidsongeschikt.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze plaatsgevonden. De door appellante naar voren gebrachte klachten, de beschikbare medische informatie van de behandelend sector en de onderzoeksbevindingen zijn op een deugdelijke en kenbare wijze betrokken bij de medische beoordeling. Appellante heeft niet onderbouwd waarom meer informatie bij de huisarts en behandelend sector had moeten worden ingewonnen. De rechtbank is niet gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig beeld heeft gehad van de medische situatie van appellante op de datum in geding en appellante meer beperkt had moeten achten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapporten van 16 februari 2022 en 16 mei 2022 een gemotiveerde toelichting gegeven op de belastbaarheid van appellante. In de FML zijn beperkingen opgenomen voor rug- en heupbelastende werkzaamheden en beperkingen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren. De rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep kunnen volgen in haar overweging geen beperkingen te stellen voor het vasthouden van de aandacht en het verdelen van de aandacht. Uit het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem volgt dat deze beperkingen alleen voorkomen bij mensen met een ernstige stoornis. Hiervan is bij appellante, zoals onder meer ook uit de medische informatie blijkt, geen sprake. Met de constatering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat appellante lessen volgt die 45 minuten aaneengesloten duren, zowel met de fiets als de auto actief deelneemt aan het verkeer en bij de verzekeringsartsen van het Uwv noch bij haar behandelaars problemen vertoont bij concentratie of aandacht, is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aangetoond dat er geen aanleiding is om appellante voor deze belastingitems beperkt te achten. Ook is voldoende gemotiveerd dat er geen aanleiding is voor een urenbeperking of een beperking voor drukke werkomgeving. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport van 6 februari 2023 gemotiveerd toegelicht waarom het aanvullend rapport van verzekeringsarts Gerritze van 24 augustus 2022 en het intakeverslag van De Viersprong van 19 december 2022 geen aanleiding geeft om het standpunt te wijzigen. Uit deze informatie volgt niet een ernstige pathologie of andere beperkingen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien een deskundige te benoemen. De rechtbank heeft geen grond gezien voor het oordeel dat de belasting in de geselecteerde functies de mogelijkheden van appellante overschrijdt. De rechtbank heeft het verzoek van appellante tot vergoeding van de materiële en immateriële schade afgewezen.
Het hoger beroep van appellante
3.1.
Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft herhaald dat zij meer beperkt is dan door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is aangenomen. Appellante wijst nogmaals op het intakeverslag van 19 december 2022 van De Viersprong waarin is beschreven dat bij haar sprake is van ernstige psychische problematiek en persoonlijkheidsproblematiek. Volgens appellante moet meer waarde gehecht worden aan de rapporten van verzekeringsarts Gerritze omdat Gerritze een vollediger beeld heeft gehad van haar gezondheidstoestand. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft appellante in hoger beroep ook verwezen naar een intakeverslag van 4 augustus 2022 van De Viersprong en een verslag van 3 april 2023 van een therapeutisch psychologisch onderzoek (TPO) van De Viersprong. Appellante heeft daarnaast verwezen naar een verwijsbrief van De Viersprong naar Antes SGGZ van 13 april 2023, een brief van 21 december 2023 van Antes SGGZ gericht aan de huisarts, informatie van neuroloog drs. N. Godijn van 22 juli 2022 en 7 oktober 2022, informatie van 6 juli 2022 van MDL-arts C. Fitzpatrick, informatie van anesthesioloogpijnspecialist drs. K.A. Evers van 31 mei 2022 en 10 juni 2022 en nadere informatie van de huisarts, met bijgevoegd brieven van behandelaars. Appellante heeft ook een schrijven ingebracht waarin zij aan de hand van de belastingaspecten in de FML een toelichting geeft op haar belastbaarheid.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft onder verwijzing naar een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 4 januari 2024 verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het standpunt van ex-werkgeefster
3.3.
Ex-werkgeefster heeft niet inhoudelijk gereageerd.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de mate van arbeidsongeschiktheid op 41,52% in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies.
4.2.Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van de gronden in beroep. De rechtbank heeft deze gronden uitgebreid besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
4.3.
Appellante wordt niet gevolgd in haar stelling dat er vanwege haar psychische klachten aanleiding bestaat om op energetische en preventieve gronden een urenbeperking vast te stellen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft onderkend dat appellante psychische klachten heeft en heeft hierin ook aanleiding gezien om beperkingen vast te stellen. De Raad wijst hierbij naar de toelichting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapporten van 16 mei 2022 en 6 februari 2023. Appellante was op de datum in geding overigens nog niet in behandeling voor haar psychische klachten.
4.4.
De Raad volgt appellante evenmin in haar stelling dat op basis van de rapporten van Gerritze en De Viersprong aangenomen moet worden dat zij beperkt is voor vasthouden en verdelen van de aandacht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 4 januari 2024 gemotiveerd toegelicht dat hiertoe geen aanleiding bestaat, nu uit het door De Viersprong verrichte TPO volgt dat bij appellante geen cognitieve afwijkingen zijn gevonden.
4.5.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 4 januari 2024 verder overwogen dat is onderkend dat appellante wel beperkingen heeft in het omgaan met emoties en dat appellante aangewezen is op een prikkelarme omgeving om goed te kunnen werken. Dit is reeds vertaald naar beperkingen in de FML. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft deze beperkingen afdoende geacht.
4.6.
Ten slotte heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd toegelicht dat de door appellante in hoger beroep ingebrachte medische stukken van de neuroloog, een MDLarts en een anesthesioloog-pijnspecialist dateren van na de datum in geding en niet wijzen op afwijkingen die noodzaken tot het aannemen van meer beperkingen in de fysieke belastbaarheid. Bovendien volgt uit de door appellante overgelegde rapporten van verzekeringsarts Gerritze dat ook zij zich kan vinden in de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgestelde beperkingen ten aanzien van heup- en rugbelastende activiteiten.
4.7.
Nu ook in hoger beroep geen twijfel bestaat over de juistheid van de medische beoordeling, wordt het verzoek van appellante om een deskundige te benoemen afgewezen.
4.8.
Uitgaande van de juistheid van de FML heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de voor appellante geselecteerde functies passend zijn voor appellante.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van N. ter Heerdt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2026.
(getekend) D.S. de Vries
De griffier is verhinderd te ondertekenen.