ECLI:NL:CRVB:2026:16

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
25/198 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep in sociale zekerheidszaak

In deze zaak heeft appellante, vertegenwoordigd door mr. M. Çankaya, hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Gelderland. De rechtbank had op 17 december 2024 een beslissing genomen in een zaak met nummer 23/4220. Het Uwv had op 14 april 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen, waarbij de uitkering van appellante op grond van de Ziektewet (ZW) per 9 december 2022 werd voortgezet. Appellante heeft vervolgens het hoger beroep ingetrokken en verzocht om een proceskostenveroordeling. Het Uwv heeft geen bezwaar gemaakt tegen deze veroordeling. De Raad heeft besloten geen zitting te houden en het onderzoek gesloten. De Raad oordeelt dat het Uwv moet worden veroordeeld in de proceskosten, omdat appellante is tegemoetgekomen in haar verzoek. De proceskosten zijn begroot op € 2.802,-, inclusief kosten voor het indienen van beroeps- en hogerberoepschrift en bijkomende kosten. Daarnaast moet het Uwv ook de facturen van het revalidatiecentrum en de huisarts vergoeden, evenals het griffierecht van € 193,-. De uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in aanwezigheid van griffier H.A. Baars, op 8 januari 2026.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 17 december 2024, 23/4220 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 8 januari 2026
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M. Çankaya, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het Uwv heeft op 14 april 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen en de uitkering van appellante op grond van de Ziektewet (ZW) per 9 december 2022 voortgezet.
Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft te kennen gegeven zich niet te verzetten tegen een veroordeling in de proceskosten.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

In artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb is bepaald dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken nadat het Uwv heeft besloten tot intrekking van het bestreden besluit en appellante met ingang van 9 december 2022 weer in aanmerking heeft gebracht voor een ZW-uitkering.
Aldus is aan appellante tegemoetgekomen. Van in bezwaar gemaakte kosten is niet gebleken, zodat de Raad moet oordelen over de in beroep en hoger beroep gemaakte kosten. Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-) en € 934,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, met een waarde per punt van € 934,-), in totaal € 2.802,-.
Daarnaast komen op grond van artikel 1, sub b, van het Bpb de facturen van het revalidatiecentrum van € 119,61 van 2 oktober 2024 en de huisarts van € 89,90 van 4 oktober 2024 voor vergoeding in aanmerking.
Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 3.011,51;
  • bepaalt dat het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 193,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek in tegenwoordigheid van H.A. Baars als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2026.
(getekend) F.M. Rijnbeek
De griffier is verhinderd te ondertekenen.