ECLI:NL:CRVB:2026:161

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
25/539 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1a:1 WajongArt. 1a, eerste lid, Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens arbeidsvermogen en basale werknemersvaardigheden

Appellant vroeg op 2 februari 2023 een Wajong-uitkering aan vanwege een arterioveneuze malformatie, tumor in het hoofd, epileptische en psychische klachten. Het UWV weigerde de uitkering omdat appellant volgens verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek arbeidsvermogen heeft en basale werknemersvaardigheden bezit.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant ten minste vier uur per dag belastbaar is en een uur aaneengesloten kan werken. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn beperkingen ernstiger zijn en dat hij niet over basale werknemersvaardigheden beschikt, mede door een psychiatrisch verleden en agressieregulatieproblemen.

De Raad volgde het UWV en de rechtbank en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was, dat appellant zich voldoende aan sociale regels kan conformeren en dat hij taken kan uitvoeren in een beschutte werkomgeving. De Raad wees het verzoek om een onafhankelijke deskundige af en bevestigde de weigering van de Wajong-uitkering.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering omdat appellant over arbeidsvermogen beschikt.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/539 WAJONG
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 7 maart 2025, 24/5910 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 12 februari 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een uitkering op grond van de Wajong toe te kennen. Volgens appellant beschikte hij op 2 februari 2023 (de dag dat de aanvraag is ontvangen) (duurzaam) niet over arbeidsvermogen en had hij als jonggehandicapte moeten worden aangemerkt. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.J. Mulder, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft een nader stuk ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 13 november 2025. Voor appellant is mr. G.M. Haring, advocaat, kantoorgenoot van Mulder, verschenen. Het Uwv heeft zich via videobellen laten vertegenwoordigen door E.M.C. Beijen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant, geboren op [geboortedatum] 1976, heeft met een door het Uwv op 2 februari 2023 ontvangen formulier een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is vermeld dat appellant een arterioveneuze malformatie (avm) en tumor in zijn hoofd heeft met epileptische klachten en dat hij psychische klachten heeft. Bij de aanvraag is informatie gevoegd van het ziekenhuis waaronder brieven van een neuroloog uit 2023 en een SEH-arts uit 2022, de politie en het Centraal Bureau Rijvaardigheden uit 2022, de huisarts en apotheek uit 2023 en een schoolverklaring uit 2002. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig onderzoek verricht, waarna geconcludeerd is dat bij gebrek aan of het ontbreken van voldoende objectiveerbare medische gegevens geen professioneel aanvaardbare en onderbouwde conclusie is te trekken over appellant zijn belastbaarheid per het achttiende jaar. Met een besluit van 12 mei 2023 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen.
1.2.
Bij besluit van 13 juni 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. Deze hebben geconcludeerd dat appellant weliswaar op zijn achttiende jaar beperkingen ondervond als gevolg van ziekte of gebrek, maar dat hij op het moment van de aanvraag op 2 februari 2023 beschikt over arbeidsvermogen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Samengevat en voor zover van belang heeft de rechtbank het volgende overwogen.
2.1.
De rechtbank heeft het onderzoek door het Uwv voldoende zorgvuldig gevonden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep hoefde niet meer onderzoek te doen en/of meer informatie op te vragen. De rechtbank heeft hierbij vooropgesteld dat sprake is van een laattijdige aanvraag omdat appellant zijn aanvraag geruime tijd na zijn achttiende verjaardag heeft ingediend.
2.2.
Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk en op plausibele wijze heeft gemotiveerd dat appellant vier uur per dag belastbaar is en dat appellant ten minste één uur aaneengesloten kan werken. Appellant heeft niet met (nieuwe) medische gegevens onderbouwd waarom deze conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onjuist is. De conclusie doet niet af aan de problemen die appellant heeft ervaren bij en na het uitvoeren van zijn laatste werk. In het kader van de Wajong staat niet ter beoordeling of appellant dat werk kon uitvoeren, maar of is voldaan aan de strenge criteria.
2.3.
De rechtbank heeft overwogen dat zowel de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapporten van 3 juni 2024 en 23 oktober 2024 als de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in haar rapport van 11 juni 2024 uitgebreid hebben gemotiveerd waarom appellant basale werknemersvaardigheden heeft. Zij zijn daarbij ook ingegaan op het door appellant betwiste punt over het accepteren van gezag en regels waar hij zich als werknemer aan moet houden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft er onder meer op gewezen dat appellant heeft laten zien dat hij zich voldoende aan sociale regels kan conformeren als de situatie hierom vraagt. Zo heeft hij gesport op hoog niveau en heeft hij een aantal jaren meerdere uren per week sportles gegeven. Dat past volgens haar ook bij de informatie uit een rapport van een psychiater van Pro Justitia uit 1998 waarin is geconcludeerd dat appellant slechts licht verminderd toerekeningsvatbaar werd geacht en niet ontoerekeningsvatbaar. De arbeidsdeskundige heeft onder meer toegelicht dat het feit dat aan het werk en de werkomgeving eisen worden gesteld en appellant is aangewezen op eventuele begeleiding geen reden is om te stellen dat hij daarom niet zou beschikken over basale werknemersvaardigheden. Zelfs wanneer het niveau van begeleiding dusdanig zou zijn dat dit niet van een gewone werkgever kan worden gevergd, kan het functioneren in een beschutte werkomgeving toch betekenen dat er arbeidsvermogen is. De rechtbank heeft dit gevolgd.
2.4.
Ook heeft de rechtbank overwogen dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gemotiveerd heeft toegelicht waarom zij vindt dat appellant de taak ‘Plaatsen van onderdelen op een printplaat’ (1701) kan uitvoeren. Daarnaast zou appellant de taak ‘Het invoeren van gegevens’ (1601) kunnen uitvoeren. Appellant kan deze taken ook uitvoeren in een (beschutte) werkomgeving die aan voorwaarden gebonden is en waar eventuele begeleiding aan de orde is. De rechtbank heeft dit eveneens gevolgd.
2.5.
Omdat geen twijfel bestaat over de juistheid van de medische beoordeling door het Uwv heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor het benoemen van een onafhankelijk deskundige.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak het volgende aangevoerd.
3.1.
De verzekeringsartsen hebben te lichtzinnig geoordeeld over de mogelijkheden van appellant. Hij beschikt niet over basale werknemersvaardigheden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft erop gewezen dat appellant enige tijd op hoog niveau heeft gesport en een aantal uren per week sportles heeft gegeven, maar daarbij is miskend dat dit activiteiten zijn die zich afspeelden in de vrije tijd. Dit valt niet te vergelijken met actief zijn binnen een werkkring. Appellant was tussen zijn achttiende en 23ste jaar licht ontoerekeningsvatbaar, hetgeen zich kennelijk uitte in een verstoorde woede- en agressieregulatie. Dit maakte hem onberekenbaar. Daardoor zou appellant op geen enkele werkplek, ook niet in een beschermde werkomgeving, aanvaard zijn als medewerker, ook met het oog op risico voor collega’s. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant verwezen naar het psychiatrisch rapport van Pro Justitia uit 1998. Bovendien is in dit rapport destijds gedwongen (dag)behandeling geadviseerd, waardoor hij minder beschikbaar is.
3.2.
Appellant is op een recente korte periode na nooit in staat is geweest om betaalde arbeid te aanvaarden of dit lang vol te houden. Door behandeling, ouder worden en het gevaar niet meer opzoeken is het punt van agressieregulatieproblematiek meer op de achtergrond geraakt. De beperkingen als gevolg van de avm zijn de laatste jaren sterk toegenomen en uiten zich in ernstige energetische beperkingen en pijnklachten die worden bestreden met medicinale cannabis. Dit laatste heeft weer verdere impact op de energiehuishouding van appellant.
3.3.
Appellant heeft de Raad verzocht een onafhankelijk deskundige te benoemen.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de Wajong-uitkering in stand heeft gelaten. Dit doet de Raad aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
5.1.
Een betrokkene heeft recht op een Wajong-uitkering als hij jonggehandicapte is in de zin van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong. Daarvan is sprake als een betrokkene geen arbeidsvermogen heeft. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft een betrokkene geen arbeidsvermogen als hij (a) geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie, (b) niet over basale werknemersvaardigheden beschikt, (c) niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur, of (d) niet ten minste vier uur per dag belastbaar is. Het Uwv moet dus beoordelen of een betrokkene voldoet aan (ten minste) een van deze vier genoemde voorwaarden. De beoordeling van het arbeidsvermogen is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
5.2.
In geschil is of het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant per 2 februari 2023 (de dag dat de aanvraag is ontvangen) arbeidsvermogen heeft. Het geschil spitst zich daarbij toe op de vraag of voldaan is aan de voorwaarde dat appellant niet over basale werknemersvaardigheden beschikt of niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur of niet ten minste vier uur per dag belastbaar is.
Medische beoordeling
5.3.
De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het onderzoek van de artsen van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de conclusies van deze artsen. De Raad onderschrijft in hoofdlijnen de overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen. Hieraan wordt het volgende toegevoegd.
5.4.1.
De Raad volgt appellant niet in zijn stelling dat het Uwv informatie over vrijetijdsactiviteiten van appellant op een onjuiste wijze in de beoordeling heeft betrokken. Volgens het Compendium Participatiewet wordt in de verzekeringsgeneeskundige anamnese een inventarisatie gemaakt van onder meer de concrete beperkingen die de betrokkene in zijn functioneren zegt te ervaren, wat de betrokkene denkt nog wél te kunnen en het dagverhaal. Bij het dagverhaal wordt ook het functioneren in de thuis- of privésituatie betrokken, dus in het geval van appellant ook het sporten op topniveau in zijn jeugdjaren, het als vrijwilliger lesgeven op een sportschool in zijn latere jaren en het recente dienstverband. Bovendien wordt ook in het door appellant ingebrachte rapport van Pro Justitia gewezen op het feit dat appellant in zijn jeugd op hoog niveau heeft gesport en destijds zijn judoleraar heeft geholpen na schooltijd. Ook heeft appellant judoles gegeven.
5.4.2.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft onder meer deze gegevens betrokken in haar beoordeling en heeft terecht geconcludeerd dat appellant in de praktijk heeft aangetoond zich te conformeren aan sociale regels als de situatie hierom vraagt. Ook is rekening gehouden met het feit dat appellant een veilige en vertrouwde werkomgeving nodig heeft waarin sprake is van een begripvolle bedrijfscultuur en werkomgeving, waarin men bekend is met appellant zijn wijze van functioneren en waarbij hij in de gelegenheid kan worden gesteld om positieve succeservaringen op te doen. De werkplek dient voorts enige mate van zelfstandigheid, vrijheid en regelruimte te hebben en wellicht solistisch werk te bieden. Daar is ook een leidinggevende die begrijpt hoe om te gaan met appellant zijn gedrag en die hem op een coachende, motiverende, maar bovenal gelijkwaardige wijze benadert en de verwachtingen duidelijk maakt. Onder deze omstandigheden wordt het door appellant gestelde onberekenbare gedrag tot een aanvaardbaar minimum gebracht.
5.5.
Het Uwv heeft er verder terecht op gewezen dat appellant geen (dag)behandeling volgde ten tijde van de aanvraag zodat terecht geen rekening is gehouden met appellant zijn beschikbaarheid voor werk bij de beoordeling of hij in staat kan worden geacht vier uren per dag belastbaar te zijn en of hij een uur aaneengesloten kan werken.
5.6.
Wat betreft de gestelde ernstige energetische beperkingen en pijnklachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport van 23 oktober 2024 toegelicht dat medisch gezien niet te begrijpen is dat door zowel de antisociale persoonlijkheidsstoornis als de avm sprake is van een sterk vergroot energetisch verbruik dan wel significant verhoogde noodzaak tot recuperatie. Er is ook geen sprake van een hoge aanvalsfrequentie door de focale epilepsie waardoor energetische beperkingen verklaarbaar zouden zijn. Appellant ervaart wel vermoeidheidsklachten door medicatie maar er is geen sprake van zeer ernstige energetische belemmeringen waardoor appellant niet ten minste, maar niet noodzakelijk aaneengesloten, vier uur per dag belastbaar is voor werk. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij gewezen op appellant zijn dagelijks functioneren en het dienstverband van bijna 40 uur per week. Dit wordt gevolgd. Appellant heeft in hoger beroep een verklaring van de huisarts uit 2025 overgelegd dat hij medicinale cannabis gebruikt, maar dit gegeven was al bekend en is reeds meegenomen in de beoordeling. Appellant heeft de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet met andere medische stukken bestreden.
5.7.
Omdat de daarvoor benodigde twijfel aan de medische beoordeling ontbreekt, bestaat geen aanleiding een deskundige te benoemen. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
Arbeidskundige beoordeling
5.8.
De rechtbank heeft ook terecht geoordeeld dat de onderzoeken van de arbeidsdeskundigen voldoende zorgvuldig zijn geweest en dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de conclusies van de arbeidsdeskundigen.
5.9.
Appellant heeft geen beroepsgronden aangevoerd tegen het standpunt van het Uwv dat hij een taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie. Deze voorwaarde behoeft daarom geen bespreking.
5.10.
Uit 5.4 tot en met 5.9 volgt dat de rechtbank het Uwv terecht heeft gevolgd in zijn standpunt dat appellant op 2 februari 2023 beschikte over arbeidsvermogen en om die reden niet als jonggehandicapte is aan te merken.

Conclusie en gevolgen

5.11.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van D.M.A. van de Geijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2026.

(getekend) D.S. de Vries

(getekend) D.M.A. van de Geijn