ECLI:NL:CRVB:2026:164

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
24/1577 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:11 AwbArt. 7:15 AwbArt. 15 PWArt. 16 PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor orthodontiekosten wegens voorliggende voorziening en ontbreken zeer dringende redenen

Appellante, die sinds 2016 bijstand ontvangt, vroeg bijzondere bijstand aan voor orthodontiekosten van haar minderjarige zoon. Het college wees de aanvraag af omdat de Zorgverzekeringswet als voorliggende voorziening geldt en er geen zeer dringende redenen waren om af te wijken. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het besluit.

Appellante voerde in hoger beroep aan dat het college ten onrechte geen vergoeding gaf voor kosten in bezwaar en dat er wel dringende redenen zijn vanwege de schrijnende situatie van haar zoon. De Raad oordeelde dat dit een herhaling was van eerdere gronden en dat appellante onvoldoende concrete en verifieerbare gegevens had geleverd om de ernst van de situatie aan te tonen.

De Raad nam de overwegingen van de rechtbank over, waaronder dat de medische behandeling al was uitgevoerd en betaald vóór de aanvraag. Ook werd gewezen op de wettelijke regeling dat kosten in bezwaar alleen vergoed worden bij herroeping van het besluit wegens bestuursorgaanfouten. Het hoger beroep werd afgewezen en de afwijzing van de bijzondere bijstand bleef in stand.

Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag bijzondere bijstand voor orthodontiekosten wordt bevestigd wegens het ontbreken van zeer dringende redenen en de aanwezigheid van een voorliggende voorziening.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/1577 PW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 juni 2024, 24/849 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 27 januari 2026

SAMENVATTING

In deze zaak gaat het om de afwijzing van een aanvraag op grond van de Participatiewet (PW) om bijzondere bijstand voor kosten voor orthodontie van de zoon van appellante. De reden voor afwijzing is dat de Zorgverzekeringswet (Zvw) voor dergelijke kosten een voorliggende voorziening is. Volgens appellante is sprake van zeer dringende redenen om alsnog bijstand toe te kennen. Appellante krijgt daarin geen gelijk. Appellante heeft verder aangevoerd dat het college de kosten die zij in bezwaar heeft gemaakt ten onrechte niet heeft vergoed. Ook hierin krijgt appellante geen gelijk.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P. van Baaren, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante ontvangt sinds 12 augustus 2016 bijstand, laatstelijk ingevolge de PW, naar de norm voor een alleenstaande.
1.2.
Appellante heeft op 17 oktober 2023 bijzondere bijstand aangevraagd voor medische kosten ter hoogte van € 752,63. Appellante heeft aangegeven dat het gaat om noodzakelijke kosten voor orthodontie van haar (minderjarige) zoon die niet vergoed worden vanuit de zorgverzekering. Haar zoon heeft mesiorelatie en dit probleem moet volgens haar zo snel mogelijk gedurende zijn puberteit worden opgelost.
1.3.
Met een besluit van 26 oktober 2023 (primaire besluit) heeft het college de aanvraag afgewezen. Met een besluit van 12 januari 2024 (bestreden besluit) is het college, onder wijziging van de grondslag, bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat voor de kosten waarvoor bijzondere bijstand is gevraagd de Zvw een voorliggende voorziening is die passend en toereikend is en dat zeer dringende redenen om in het geval van appellante toch bijstand te verlenen niet aanwezig zijn. Het college heeft het verzoek om een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase afgewezen omdat geen sprake is van een herroeping van het bestreden besluit wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid in de zin van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft daartoe, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:
“Niet in geschil is dat artikel 15, eerste lid, van de PW in beginsel in de weg staat aan toekenning van bijzondere bijstand omdat de zorgverzekering in dit geval een voorliggende voorziening is die moet worden gezien als passend en toereikend.
[…]
De bewijslast van feiten en omstandigheden die het oordeel kunnen dragen dat zich zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW voordoen, rust in beginsel op appellante. Dat brengt mee dat appellante de nodige duidelijkheid dient te verschaffen en haar stelling dat sprake is van zeer dringende redenen moet onderbouwen met concrete en verifieerbare gegevens. Appellante heeft dit onvoldoende gedaan. Ter zitting heeft appellante een verwijsbrief van de tandarts van 13 oktober 2021 overgelegd waarin staat dat er sprake is van mesiorelatie bij haar zoon, maar daaruit volgt niet wat de ernst is van de aandoening. Daarnaast dateert deze verwijsbrief al van twee jaar voor de aanvraag om bijzondere bijstand. Ook is niet uit concrete en verifieerbare gegevens gebleken dat het weigeren van bijstand tot ernstige gevolgen voor de gezondheid van de zoon zal leiden. Daar komt bij dat de benodigde medische behandeling al voor de aanvraag om bijstand is uitgevoerd en betaald.
[…]
Artikel 7:15, tweede lid, van de Awb bepaalt dat de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend worden vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het primaire besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. In het kader van de heroverweging van het primaire besluit, als bedoeld in artikel 7:11 van Pro de Awb, was het college gerechtigd de gebreken in de motivering van dat besluit te herstellen zonder daaraan de gevolgtrekking te verbinden van herroeping van het primaire besluit. Van een wijziging in de rechtsgevolgen van dit besluit was immers geen sprake. Omdat vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten alleen mogelijk is als het primaire besluit wordt herroepen, was hiervoor geen plaats.”
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante voert allereerst aan dat het college ten onrechte geen vergoeding voor de kosten in bezwaar heeft toegekend. Appellante is gedwongen in bezwaar moeten gaan en het achteraf maken van een ommezwaai met betrekking tot de gronden van de afwijzing zou consequenties moeten hebben. Verder voert appellante aan dat het college de aanvraag om bijzondere bijstand ten onrechte heeft afgewezen. Er zijn dringende redenen om aan haar bijzondere bijstand te geven voor de tandartskosten van haar zoon. De situatie van haar zoon is schrijnend. Appellante heeft € 3.730,03 aan kosten gemaakt en zij is nog steeds bezig met aflossen.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de afwijzing van de aanvraag in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Wat appellante aanvoert is in de kern een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak uitgelegd waarom dat niet leidt tot vernietiging van het bestreden besluit. Appellante heeft in hoger beroep niet toegelicht waarom het oordeel van de rechtbank of die uitleg onjuist dan wel onvolledig is. De Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank en met de overwegingen, zoals onder 2.1 en 2.2 weergegeven, waarop dat oordeel is gebaseerd en neemt deze overwegingen over.

Conclusie en gevolgen

4.2.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.M Overbeeke in tegenwoordigheid van A.H. HagendoornHuls als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2026.

(getekend) A.M Overbeeke

(getekend) A.H. Hagendoorn-Huls

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 7:11, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht
Voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, herroept bestuursorgaan het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit.
Artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht
De kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend worden vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
Artikel 16, eerste lid, van de Participatiewet
Aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, kan het college, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van deze paragraaf, bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.