ECLI:NL:CRVB:2026:165

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
24/1993 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:15 AwbArt. 35 PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand studiekosten en kosten bezwaar bevestigd

Appellante heeft bijzondere bijstand voor studiekosten aangevraagd, welke door het college is afgewezen omdat geen sprake is van noodzakelijke kosten in de zin van de Participatiewet. De rechtbank heeft het beroep tegen deze afwijzing ongegrond verklaard, waarbij werd geoordeeld dat het college geen toezegging heeft gedaan tot vergoeding en dat de afwijzing niet onrechtmatig is.

Appellante voerde in hoger beroep aan dat het college onterecht de kosten van de bezwaarfase niet vergoedde en dat het college een toezegging had gedaan voor vergoeding van studiekosten. De Raad oordeelt dat dit een herhaling is van eerdere gronden zonder nieuwe onderbouwing en bevestigt het oordeel van de rechtbank.

De Raad benadrukt dat de wijziging van de grondslag van de afwijzing geen herroeping van het besluit inhoudt en dat vergoeding van kosten in bezwaar alleen mogelijk is bij herroeping wegens onrechtmatigheid. Het hoger beroep wordt afgewezen en appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de bijzondere bijstand voor studiekosten blijft in stand.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/1993 PW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 augustus 2024, 24/2456 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 27 januari 2026

SAMENVATTING

In deze zaak gaat het om de afwijzing van een aanvraag op grond van de Participatiewet (PW) om bijzondere bijstand voor studiekosten. Volgens appellante heeft het college toegezegd dat zij die kosten vergoed zou krijgen. Appellante krijgt geen gelijk. Appellante heeft verder aangevoerd dat het college de kosten die zij voor de bezwaarfase heeft gemaakt ten onrechte niet heeft vergoed. Ook hierin krijgt appellante geen gelijk.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P. van Baaren, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante ontvangt sinds 12 augustus 2016 bijstand, laatstelijk ingevolge de PW, naar de norm voor een alleenstaande.
1.2.
Appellante heeft op 9 oktober 2023 bijzondere bijstand aangevraagd voor studiekosten van € 1.523,-. Deze aanvraag is met een besluit van 2 november 2023 afgewezen omdat het college al bij besluit van 7 maart 2023 aan appellante heeft laten weten dat zij voor deze kosten geen bijstand krijgt en zij geen nieuwe redenen heeft gegeven om deze bijstand toch toe te kennen. Appellante heeft tegen het besluit van 2 november 2023 bezwaar gemaakt.
1.3.
Met een besluit van 23 februari 2024 (bestreden besluit) heeft het college, onder wijziging van de grondslag, de aanvraag alsnog inhoudelijk beoordeeld en deze afgewezen. Aan de afwijzing ligt ten grondslag dat geen sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35, eerste lid, van de PW. Het college heeft het verzoek om een vergoeding van de kosten in bezwaar afgewezen omdat geen sprake is van een herroeping van het besluit van 2 november 2023 als gevolg van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Het rechtsgevolg van het besluit, namelijk de afwijzing van de aanvraag, is niet veranderd. Het college heeft alleen de onderbouwing van de afwijzing van de aanvraag veranderd. Dat is volgens vaste rechtspraak geen herroeping van het besluit in de zin van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft daartoe, voor zover hier van belang, het volgende overwogen.
2.1.
Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Van herroepen in de zin van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb is alleen sprake indien het besluit, waartegen het bezwaar is gericht, wordt gewijzigd wat betreft het daarbij beoogde of geweigerde rechtsgevolg. Dat is hier niet het geval. Het college heeft bij het bestreden besluit de grondslag van de afwijzing weliswaar gewijzigd, maar heeft de afwijzing zelf gehandhaafd. Er is dus geen sprake van een herroeping als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb.
2.2.
De rechtbank heeft verder overwogen dat uit het door appellante overgelegde afsprakenplan van 24 oktober 2022 niet blijkt dat het college heeft toegezegd dat de kosten van de opleiding worden vergoed. In dit plan staat alleen dat appellante zich gaat inschrijven voor de opleiding via STAPP en dat zij haar werkcoach op de hoogte zal houden over de voortgang en de eventuele veranderingen in haar situatie. Ook uit andere verslagen van gesprekken blijkt niet dat het college heeft toegezegd dat hij de kosten van de opleiding zal vergoeden. Uit de gesprekverslagen blijkt alleen dat het college heeft aangegeven dat hiervoor een mogelijkheid bestaat als sprake is van een baangarantie. Maar dit is in het geval van appellante niet aan de orde.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante voert aan dat het college een vergoeding voor de kosten in bezwaar had moeten toekennen. Verder voert appellante aan dat het college de aanvraag om bijzondere bijstand ten onrechte heeft afgewezen omdat het college de indruk heeft gewekt dat zij voor de studiekosten zouden betalen. Uit het afsprakenplan van 24 oktober 2022 blijkt volgens appellante dat het college een toezegging heeft gedaan die moet worden nagekomen.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de afwijzing van de aanvraag in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Wat appellante aanvoert is in de kern een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak uitgelegd waarom dat niet leidt tot vernietiging van het bestreden besluit. Appellante heeft in hoger beroep niet toegelicht waarom het oordeel van de rechtbank of die uitleg onjuist dan wel onvolledig is. De Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank en met de overwegingen, zoals onder 2.1 en 2.2 weergegeven, waarop dat oordeel is gebaseerd. Hij voegt daar nog aan toe dat appellante ook in hoger beroep geen stukken heeft ingebracht ter onderbouwing van haar stelling dat het college haar een toezegging heeft gedaan.

Conclusie en gevolgen

4.2.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.M. Overbeeke in tegenwoordigheid van A.H. HagendoornHuls als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2026.

(getekend) A.M. Overbeeke

(getekend) A.H. Hagendoorn-Huls

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht
De kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend worden vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
Artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet
Op grond van artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.