In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 8 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank Amsterdam. De appellant, woonachtig in het Verenigd Koninkrijk, had bezwaar gemaakt tegen besluiten van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) van 22 januari 2016, waarbij zijn WW-uitkering werd herzien en een boete werd opgelegd. Het Uwv verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat het bezwaarschrift te laat was ingediend, namelijk op 10 mei 2023, terwijl de termijn voor indienen op 6 maart 2016 eindigde. De rechtbank bevestigde deze beslissing, wat leidde tot het hoger beroep van de appellant.
Tijdens de zitting op 27 november 2025 werd de zaak behandeld, waarbij de appellant via een online videoverbinding aanwezig was en het Uwv vertegenwoordigd werd door mr. M. Sluijs. De Raad oordeelde dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was, aangezien de appellant eerder contact had gehad met het Uwv over de terugvordering van de te veel betaalde uitkering. De Raad concludeerde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat de appellant niet tijdig bezwaar had gemaakt en dat er geen reden was om de termijnoverschrijding als verschoonbaar te beschouwen. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd, en de appellant kreeg geen vergoeding voor proceskosten of griffierecht.