ECLI:NL:CRVB:2026:18
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van appellante door het Uwv en de bevestiging van de WIA-uitkering
In deze zaak gaat het om de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante, vastgesteld door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) op 62,44%. Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen deze beslissing, omdat zij van mening is dat haar medische beperkingen niet correct zijn ingeschat. De Centrale Raad van Beroep heeft de zaak behandeld op 13 november 2025, waarbij appellante werd vertegenwoordigd door haar advocaat, mr. M. Gümüs, en het Uwv door mr. M.W.L. Clemens. De Raad heeft vastgesteld dat appellante voor het laatst werkte als financieel administratief medewerkster en zich op 4 juni 2020 ziekmeldde. Na een beoordeling door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige heeft het Uwv haar een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid aanvankelijk op 62,18% werd vastgesteld en later werd bijgesteld naar 62,44%. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, wat door de Raad werd bevestigd. De Raad oordeelde dat er voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing was voor de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid en dat de geselecteerde functies niet boven de mogelijkheden van appellante uitgingen. De Raad concludeert dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.