ECLI:NL:CRVB:2026:18
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid op 62,44% in WIA-uitkering
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van haar arbeidsongeschiktheid door het UWV, die zij te laag acht vanwege haar medische klachten en beperkingen. Het UWV stelde de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 62,44% en selecteerde passende functies die appellante zou kunnen vervullen.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij zij oordeelde dat de medische beoordeling van het UWV, inclusief de functionele mogelijkhedenlijst en de rapporten van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige, voldoende onderbouwd waren. De rechtbank nam daarbij ook de beperkingen door artrose en fibromyalgie mee, evenals de psychische belastbaarheid en medicijngebruik.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen groter zijn dan aangenomen, onder meer vanwege diverse lichamelijke klachten en medicijnbijwerkingen, en dat zij een verdere urenbeperking nodig heeft. De Centrale Raad van Beroep volgde dit niet, omdat de medische stukken dit niet onderbouwen en de behandeling in het revalidatiecentrum pas na de datum in geschil is gestart.
De Raad concludeert dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid terecht heeft vastgesteld en dat de geselecteerde functies passend zijn. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid op 62,44% en wijst het hoger beroep af.