ECLI:NL:CRVB:2026:193

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
24/2796 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:84 AwbArt. 8:104 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd in hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring voorlopige voorziening

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam, waarin de verzoeken om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk werden verklaard.

De aangevallen uitspraak betreft een beslissing als bedoeld in artikel 8:84, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Volgens artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder d, van de Awb is tegen een dergelijke uitspraak geen hoger beroep mogelijk.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die een uitzondering op dit appèlverbod rechtvaardigen. Daarom verklaart de Centrale Raad van Beroep zich zonder verder onderzoek onbevoegd om kennis te nemen van het hoger beroep. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de voorlopige voorziening.

Uitspraak

24/2796 PW, 25/125 PW, 25/126 PW, 25/127 PW, 25/128 PW, 25/129 PW, 25/130 PW, 25/131 PW, 25/132 PW, 25/134 PW, 25/135 PW, 25/136 PW, 25/137 PW
Datum uitspraak: 17 februari 2026
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 november 2024, 24/7033, 24/7681, 24/7682, 24/7683, 24/7684, 24/7685, 24/7686, 24/7687, 24/7688, 24/7689, 24/7690, 24/7691, 24/7692 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het dagelijks bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Sociaal

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

OVERWEGINGEN

Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank de verzoeken van appellant om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard. De aangevallen uitspraak is een uitspraak als bedoeld in artikel 8:84, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
In artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder d, van de Awb, is bepaald dat tegen een uitspraak van de rechtbank na toepassing van artikel 8:84, eerste lid, van de Awb, geen hoger beroep kan worden ingesteld.
Verder is niet gesteld, noch gebleken dat sprake is van feiten en omstandigheden die een doorbreking van het wettelijk appèlverbod in het hier voorliggende geval (te weten: een hoger beroep tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank) zouden kunnen rechtvaardigen.
De Raad is dan ook kennelijk onbevoegd om van het door appellant ingestelde hoger beroep kennis te nemen, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2026.
(getekend) M. Wolfrat
(getekend) A.H. Hagendoorn-Huls
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.