ECLI:NL:CRVB:2026:2

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
23/2034 PW-V
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijk verklaring hoger beroep wegens niet-betaling griffierecht

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 12 januari 2026 uitspraak gedaan over het verzet van de echtgenoot van appellante tegen de niet-ontvankelijk verklaring van het hoger beroep. Het hoger beroep was eerder niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet was betaald. De echtgenoot van appellante heeft verzet aangetekend en aangevoerd dat hij gemachtigd was om het hoger beroep namens appellante af te handelen. Hij stelde dat belangrijke correspondentie ten onrechte naar appellante was gestuurd in plaats van naar hem als gemachtigde.

De Raad heeft het verzet behandeld op een zitting op 17 november 2025, waarbij partijen niet verschenen. De Raad heeft vastgesteld dat het griffierecht in hoger beroep niet was betaald en dat de argumenten van appellante in het verzet hier niets aan konden veranderen. De Raad had eerder verzocht om een schriftelijke machtiging van de echtgenoot, maar deze was niet ondertekend, waardoor de Raad geen aanleiding zag om de correspondentie aan de echtgenoot te sturen.

Uiteindelijk heeft de Raad geoordeeld dat er geen reden was om te concluderen dat appellante niet in verzuim was geweest. Het verzet is ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is openbaar gedaan en ondertekend door mr. K.H. Sanders, met H. de Brabander als griffier.

Uitspraak

Datum uitspraak: 12 januari 2026
23/2034 PW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 26 mei 2023, LEE 23/326 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)

PROCESVERLOOP

In de uitspraak van 9 juli 2024 heeft de Raad het door appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet is betaald.
[naam echtgenoot] heeft verzet gedaan. In het verzetschrift is aangevoerd dat hij gemachtigd is het hoger beroep namens appellante af te handelen en dat hij een machtiging heeft overgelegd. [naam echtgenoot] stelt dat de brief van 22 maart 2024 (de afwijzing van het beroep op betalingsonmacht), de nota van 27 maart 2024 en de herinnering van 27 april 2024 ten onrechte naar appellante zijn gestuurd, terwijl ze naar hem als gemachtigde gestuurd hadden moeten worden.
De Raad heeft het verzet behandeld op de zitting van 17 november 2025. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

Vaststaat dat het griffierecht in hoger beroep niet is betaald. Wat appellante in verzet aanvoert maakt dit niet anders.
Naar aanleiding van een door de echtgenoot van appellante aanvulling op het door appellante ingediende hoger beroep heeft de Raad met een brief van 3 januari 2024 de echtgenoot verzocht een schriftelijke machtiging over te leggen. Bij e-mailbericht van 15 januari 2024 heeft appellante aan dit verzoek gevolg gegeven.
Met een brief van 22 maart 2024 heeft de Raad aan appellante medegedeeld dat de overgelegde machtiging (waarmee beoogd is [naam echtgenoot] te machtigen) niet volstaat omdat deze niet is ondertekend. De Raad heeft verder medegedeeld dat daarom alle correspondentie aan appellante zelf gericht zou worden. Appellante heeft geen reactie gestuurd en geen ondertekende machtiging overgelegd.
Dit betekent dat [naam echtgenoot] niet als gemachtigde kon worden aangemerkt en dat er daarom geen aanleiding was om de in het verzetschrift genoemde brieven aan hem toe te sturen.
Wat in het verzet is aangevoerd kan niet leiden tot de conclusie dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante in verzuim is geweest.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.H. Sanders, in tegenwoordigheid van H. de Brabander als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2026.
(getekend) K.H. Sanders
(getekend) H. de Brabander