ECLI:NL:CRVB:2026:203

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
22/3255 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 55 Wet WIAArt. 57 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling vaststelling arbeidsongeschiktheid en passendheid werk bij WIA-uitkering

Appellante, werkzaam als productiemedewerkster, heeft zich ziekgemeld met psychische en fysieke klachten. Het UWV stelde de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 37,30% en beoordeelde het aangeboden werk als passend. Appellante betwistte deze vaststelling en de passendheid van het werk.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen niet waren onderschat. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft dit oordeel en voegt toe dat geen nieuwe medische informatie is aangeleverd en dat de fysieke beperkingen passend zijn, mede gelet op de diagnose fibromyalgie.

De Raad oordeelt dat het gebruik van sjabloonversie 5 van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) terecht is toegepast en dat het werk binnen de beschutte werkplek passend is, met voldoende begeleiding. Ook de stellingen over een rumoerige werkomgeving en handmatige beperkingen worden verworpen.

Daarnaast is vastgesteld dat de redelijke termijn voor de procedure met ruim elf maanden is overschreden, wat leidt tot een schadevergoeding van €1.000,-, waarvan €909,- voor rekening van de Staat en €91,- voor het UWV. De proceskosten voor het verzoek om schadevergoeding worden eveneens verdeeld.

Het hoger beroep wordt afgewezen, de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid blijft in stand en de schadevergoeding wegens termijnoverschrijding wordt toegekend.

Uitkomst: De vaststelling van 37,30% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd en het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen.

Uitspraak

22/3255 WIA
Datum uitspraak: 25 februari 2026
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
22/3255 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 31 augustus 2022, 21/4915 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 1 september 2020 heeft vastgesteld op 37,30%. Volgens appellante heeft zij meer beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen en is haar eigen werk niet passend. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage juist heeft vastgesteld en dat het eigen werk passend is voor appellante.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F.E.R.M. Verhagen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft gereageerd op vragen van de Raad. Appellante heeft aanvullende gronden ingediend waarop het Uwv heeft gereageerd.
Appellante heeft de Raad verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In dit verband heeft de Raad de Staat aangemerkt als partij.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 14 januari 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Verhagen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden
.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft sinds 2012 gewerkt als productiemedewerkster bij [bedrijf 1] (nu: [bedrijf 2] ) voor 31,95 uur per week op de afdeling Externe Beschutte Arbeid. Op 1 maart 2018 heeft appellante zich ziekgemeld met psychische klachten. Op 1 april 2019 is appellante hervat in aangepast werk bij haar werkgever op de afdeling Interne Beschutte Arbeid voor twintig uur per week. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellante met ingang van 6 april 2020 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij op grond van een praktische schatting vastgesteld op 36,98%. Appellante heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.
1.2.
Op 15 augustus 2020 heeft appellante zich bij het Uwv gemeld met toegenomen psychische en fysieke klachten en op 1 september 2020 heeft appellante zich ziekgemeld bij haar werkgever. In verband hiermee heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 5 januari 2021. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat het werk als productiemedewerkster voor appellante niet geschikt is. Wel wordt het door de werkgever aangeboden werk binnen de afdeling Interne Beschutte Arbeid voor twintig uur per week als passend voor appellante bevonden. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens op grond van een praktische schatting een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 37,30%. Het Uwv heeft bij besluit van 21 januari 2021 vastgesteld dat appellante per 1 september 2020 minder arbeidsgeschikt is dan voorheen maar dat de hoogte van de loongerelateerde WGA-uitkering niet wijzigt.
1.3.
Bij besluit van 29 september 2021 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat de beperkingen van appellante niet zijn onderschat. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen blijkt dat zij op de hoogte waren van de door appellante gestelde psychische klachten en pijnklachten aan spieren en gewrichten. Ook is rekening gehouden met de diagnose fibromyalgie. De verzekeringsartsen hebben erkend dat sprake is van een toename van klachten en hiervoor meer beperkingen aangenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft rekening gehouden met alle medische stukken en gemotiveerd waarom hij daarin geen aanleiding ziet om meer beperkingen aan te nemen. Gezien de aard van de aandoeningen is er geen aanleiding om een beperking op te nemen voor het werken in een koude omgeving. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gewezen op het door de primaire verzekeringsarts verrichte lichamelijke onderzoek waarbij geen bewegingsbeperkingen zijn waargenomen. Ook is rekening gehouden met de omstandigheid dat appellante psychisch kwetsbaar is en verminderd stressbestendig. De omstandigheid dat de FML bij het einde van de wachttijd is opgemaakt in sjabloonversie 4 en dat bij de huidige beoordeling gebruik is gemaakt van sjabloonversie 5 maakt niet dat de vastgestelde belastbaarheid niet juist is. De wisseling van het gebruikte sjabloon heeft te maken met een wijziging van het Claim Beoordelings- en Borgingssyteem (CBBS) per mei 2020. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat in het nieuwe CBBS het item 1.9.3 (‘klant is aangewezen op werk dat onder rechtstreeks toezicht en/of onder intensieve begeleiding wordt uitgevoerd’) niet langer als beoordelingspunt is opgenomen, omdat behoefte aan begeleiding en toezicht geen beperking is maar een middel om arbeid te kunnen verrichten. Appellante is aangewezen op WSW-arbeid en dat impliciteert al dat sprake is van begeleiding en toezicht. De rechtbank heeft geoordeeld dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd dat de feitelijk verrichte werkzaamheden binnen de afdeling Interne Beschutte Arbeid voor appellante passend zijn gelet op haar klachten en bekwaamheden. Uit de ontvangen informatie volgt dat geen sprake is van een koude werkomgeving, dat de lopende band is afgestemd op de medewerker met het laagste tempo en dat de werkomgeving rustig is. Appellante is aangewezen op een beschutte werkomgeving omdat er voortdurend sprake dient te zijn van toezicht en hulp bij het uitvoeren van taken. Intern beschutte werkplaatsen zijn dusdanig ingericht dat er voldoende begeleiding aanwezig en beschikbaar is.
Het standpunt van appellante
3.1.
Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft, onder verwijzing naar de gronden in beroep, tegen die uitspraak aangevoerd dat haar beperkingen zijn onderschat. Verder heeft appellante aangevoerd dat bij de huidige beoordeling ten onrechte sjabloonversie 5 van de FML is gebruikt. Aangezien sprake is van een Amberbeoordeling ligt gebruik van dezelfde sjabloonversie als destijds in de rede. Daarbij komt dat met het gebruik van de nieuwe sjabloonversie een wezenlijke beperking, namelijk item 1.9.3 (‘klant is aangewezen op werk dat onder rechtstreeks toezicht en/of onder intensieve begeleiding wordt uitgevoerd’) is komen te vervallen. De FML moet een uitputtend beeld schetsen van de (on)mogelijkheden van een betrokkene en strikte kaders bieden voor het selecteren van functies. Door het weglaten van dit item wordt dat niet bewerkstelligd. Er is ten onrechte geen beperking aangenomen op item 1.9.3 (sjabloonversie 4) en anders had appellante in ieder geval verdergaand beperkt moeten worden geacht op item 1.9 (sjabloonversie 5, ‘mate van zelfstandigheid in arbeid’). Verder is het onvoldoende duidelijk geworden dat in de functie van appellante sprake is van het vereiste rechtstreekse toezicht en/of de vereiste intensieve begeleiding en lijkt er in de functie sprake te zijn van veelvuldig hand- en vingerwerk terwijl er een beperking is aangenomen op item 4.6 (‘schroefbewegingen met hand en arm’). Ook is sprake van een rumoerige werkomgeving.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op 37,30% in stand heeft gelaten. Dit doet hij aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de beperkingen van appellante niet zijn onderschat. De overwegingen van de rechtbank worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd. Appellante heeft in beroep en hoger beroep geen nieuwe medische informatie overgelegd. Ter zitting heeft zij toegelicht dat zij veel pijnklachten heeft aan haar vingers, handen, schouders en nek en dat zij fibromyalgie heeft. Deze beschrijving komt overeen met de informatie van de reumatoloog van 24 november 2020 en de verpleegkundige reumatologie van 1 december 2020 die appellante in bezwaar heeft overgelegd. Deze informatie is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij zijn beoordeling betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voldoende gemotiveerd dat de diagnose fibromyalgie bekend was en dat de aangenomen fysieke beperkingen passend zijn omdat daarmee rekening wordt gehouden met het feit dat appellante aangewezen is op fysiek lichte arbeid. Bij aanvullend onderzoek zijn geen afwijkingen aan het bewegingsapparaat gevonden, zijn er bij de gewrichten geen ontstekingen en is de kracht normaal. Hoewel fibromyalgie gepaard gaat met spier- en gewrichtspijnen is er geen contra-indicatie voor normale belasting van het houdings- en bewegingsapparaat en zijn er geen absolute bewegingsbeperkingen. Bij fibromyalgie leidt fysieke belasting niet tot schade aan gewrichten, omdat geen sprake is van ontstekingen in de gewrichten. Omdat bij fibromyalgie wel pijn wordt ervaren, wordt hier rekening mee gehouden en zijn fysieke beperkingen aangenomen waardoor overbelasting wordt voorkomen.
4.2.
Anders dan appellante heeft aangevoerd is in haar situatie geen sprake van een zogenoemde Amber-beoordeling. Een Amber-beoordeling ziet op de toepassing van artikel 55 of Pro 57 van de Wet WIA. Appellante heeft een melding gedaan in verband met toegenomen klachten terwijl zij reeds een WIA-uitkering ontving. De melding van appellante is zodoende een verzoek om een herbeoordeling waarbij een volledig medische en arbeidskundige beoordeling moet worden uitgevoerd. Appellante heeft haar melding gedaan per 1 september 2020. Op 15 mei 2020 is versie 5 van het CBBS in werking getreden, zodat bij de beoordeling per 1 september 2020 sjabloonversie 5 van de FML van toepassing was. Er wordt geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het Uwv sjabloonversie 5 van de FML in de situatie van appellante niet had mogen toepassen.
4.2.1.
Naar aanleiding van het betoog dat in sjabloonversie 5 van de FML de noodzaak tot rechtstreeks toezicht en/of intensieve begeleiding onvoldoende tot uitdrukking komt, wordt het volgende overwogen. Niet in geschil is dat appellante al vele jaren werkt op een beschutte werkplek, dat de arbeidsdeskundige het CBBS niet heeft gebruikt voor functieduiding omdat appellante is aangewezen op werk onder beschutte omstandigheden en dat bij de beoordeling is uitgegaan van het eigen werk van appellante op de afdeling Intern Beschutte Arbeid. Het is de vraag of in de situatie van appellante sprake is van passende werkzaamheden binnen beschut werk. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft voldoende gemotiveerd dat het werk van appellante passend voor haar is en dat er voldoende begeleiding aanwezig is. Het werk bestaat uit lichte werkzaamheden zoals inpakdoosjes vouwen, het inpakken van bonbons in een doosje, het inpakken van veldbloemenbolletjes of het vullen en sluiten van snoepzakjes. De werkzaamheden worden verricht aan een tafel of een lopende band waarbij de snelheid van de lopende band is afgesteld op de medewerker met het laagste tempo. Het is inherent aan beschut werk dat er voldoende leiding aanwezig is waarop appellante kan terugvallen, maar dat betekent niet dat er een leidinggevende continue naast appellante zou moeten staan. De werkgever heeft bevestigd, conform de informatie van appellante, dat er in de productiehal een kantoortje is met glazen wanden. Ook al bevindt de leidinggevende zich in dit kantoortje, er is ook dan voldoende begeleiding beschikbaar om vragen te beantwoorden, aanwijzingen te geven en om alles in de gaten te houden. Deze motivering van de arbeidskundige bezwaar en beroep wordt gevolgd. Ter zitting heeft appellante beaamd dat het werk zelf weinig begeleiding vergt.
4.2.2.
Er wordt geen aanleiding gezien voor het oordeel dat sprake is van een overschrijding op item 4.6 (‘schroefbewegingen met hand en arm’). De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft voldoende gemotiveerd dat er voor appellante een beperking voor het maken van krachtige wring- en schroefbewegingen geldt, dat het inpakken van bonbons in een doosje en het vouwen van een inpakdoos geen wring- of schroefbewegingen zijn en dat deze werkzaamheden geen grote kracht vergen.
4.2.3.
Naar aanleiding van de stelling van appellante dat sprake is van een rumoerige werkomgeving heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep opgemerkt dat appellante niet beperkt is voor geluidsprikkels. Bovendien heeft de werkgever op 8 juni 2022 bevestigd dat de werkomgeving rustig is. Deze motivering kan worden gevolgd. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de werkplek voor appellante te onrustig is.
Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
5.1.
Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM.
5.2.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder is in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden. [1]
5.3.
Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door het Uwv op 4 maart 2021 tot de datum van deze uitspraak zijn vier jaar en ruim elf maanden verstreken, terwijl er geen omstandigheden zijn die een langere behandelduur dan vier jaar rechtvaardigen. De redelijke termijn is dan ook met ruim elf maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 1.000,-.
5.4.
Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv zeven maanden geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn in de bezwaarfase met een maand is overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn bij de besuursrechter is afgerond tien maanden. Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening van het Uwv onderscheidenlijk voor de Staat komt, wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 [2] . Het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 91,- (1/11 deel van € 1.000,-). De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 909,- (10/11 deel van € 1.000,-).

Conclusie en gevolgen

6. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op 37,30% in stand blijft. Het verzoek tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen.
7. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht. Er is wel aanleiding om de Staat en het Uwv beide voor de helft te veroordelen in de proceskosten die appellante in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 467,- (1 punt, met een waarde van € 934,- per punt en wegingsfactor 0,5), dus € 233,50 voor zowel de Staat als het Uwv.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 909,-;
- veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 91,-;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 233,50;
- veroordeelt het Uwv tot vergoeding van de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 233,50.
Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, in tegenwoordigheid van D.M.A. van de Geijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026.
(getekend) E. Dijt
(getekend) D.M.A. van de Geijn

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.
2.HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.