ECLI:NL:CRVB:2026:205

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
25/464 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid op 60,87% in WIA-uitkering

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV waarin zijn mate van arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 60,87%. Hij stelde dat hij meer beperkt is dan vastgesteld en dat het medisch onderzoek ontoereikend was. De rechtbank Amsterdam heeft het beroep ongegrond verklaard en het besluit van het UWV in stand gelaten.

De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep behandeld en geoordeeld dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig en toereikend was. De Raad heeft vastgesteld dat de beperkingen van appellant goed zijn gemotiveerd en dat de functies waarop de arbeidsongeschiktheidsberekening is gebaseerd medisch passend zijn. De Raad heeft het standpunt van appellant dat hij meer beperkt is dan vastgesteld niet gevolgd, mede omdat appellant geen nieuwe medische gegevens heeft ingebracht.

De Raad bevestigt daarmee het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank. De mate van arbeidsongeschiktheid van 60,87% blijft gehandhaafd en appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander op 25 februari 2026.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant 60,87% arbeidsongeschikt is en wijzigt het besluit van het UWV niet.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/464 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 januari 2025, 24/3112 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] , Thailand (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 25 februari 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft vastgesteld dat appellant 60,87% arbeidsongeschikt is. Volgens appellant is hij meer beperkt dan het Uwv heeft vastgesteld. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat de WIA-uitkering van appellant niet wijzigt.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 14 januari 2026. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R.D. van den Heuvel.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Bij besluit van 6 juli 2022 heeft het Uwv appellant na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van 1 mei 2021 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. Na onderzoek door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant vastgesteld op 51,87%.
1.2.
Bij besluit van 28 maart 2023 heeft het Uwv de loongerelateerde WGA-uitkering met ingang van 1 mei 2023 omgezet naar een WGA-vervolguitkering. De mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 45 tot 55%.
1.3.
Op 3 mei 2023 heeft appellant bij het Uwv verzocht om een herbeoordeling. Appellant heeft vermeld dat hij meer last heeft van zijn halswervel en meer pijnstillers gebruikt. Een verzekeringsarts heeft naar aanleiding hiervan onderzoek verricht en een expertise laten verrichten door orthopedisch chirurg dr. N.C. Leegwater van DC VerzuimDiagnostiek. De verzekeringsarts heeft de beperkingen van appellant vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 28 september 2023. Een arbeidsdeskundige heeft voor appellant functies geselecteerd en berekend dat appellant 54,51% arbeidsongeschikt is. Bij besluit van 24 oktober 2023 heeft het Uwv vastgesteld dat de WIA-uitkering van appellant per 1 mei 2023 niet wijzigt.
1.4.
Naar aanleiding van het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 oktober 2023 hebben een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gerapporteerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich kunnen vinden in de voor appellant vastgestelde beperkingen in de FML van 28 september 2023. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op grond van een deels gewijzigde functieselectie vastgesteld dat appellant 60,87% arbeidsongeschikt is. Bij besluit van 13 mei 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant gegrond verklaard en vastgesteld dat appellant per 1 mei 2023 60,87% arbeidsongeschikt is.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt toereikend en zorgvuldig is geweest. De rechtbank heeft van belang geacht dat het Uwv bij de beoordelingen rekening heeft gehouden met de medische informatie afkomstig van orthopedisch chirurg L. Flöter, de Zwitserse behandelaar van appellant. Bij de einde wachttijdbeoordeling is gerefereerd aan de operatie die door Flöter is verricht en ook door Leegwater is een beschrijving gegeven van medische stukken van Flöter. Leegwater heeft in zijn rapport van 24 augustus 2023 gerefereerd aan het operatieverslag van 20 januari 2021, het ontslagbericht uit het ziekenhuis van 21 januari 2021 en het verslag van een poliklinisch consult op 19 april 2021. De verzekeringsarts heeft de bevindingen van Leegwater, en daarmee ook de informatie van Flöter, betrokken bij de beoordeling. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 28 september 2023 blijkt dat ook hij de stukken van Flöter heeft betrokken bij zijn medisch onderzoek.
2.1.
De rechtbank is niet gebleken dat het onderzoek naar de medische situatie van appellant ontoereikend is geweest. Bij de einde wachttijdbeoordeling op 14 april 2022 is uitgebreid dossieronderzoek gedaan en is een telefonische anamnese afgenomen. In het kader van de herbeoordeling heeft de verzekeringsarts opnieuw dossieronderzoek verricht en appellant op het spreekuur op 22 augustus 2023 lichamelijk en psychisch onderzocht. Appellant is ook onderzocht door Leegwater, waarbij lichamelijk onderzoek, radiologisch onderzoek en aanvullend onderzoek heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in zijn standpunt dat hij meer beperkt geacht moet worden voor lopen, duwen en trekken, schroefbeweging, klimmen, buigen, dertig treden afleggen, bukken en zitten. Appellant is in het kader van de einde wachttijdbeoordeling beperkt geacht voor kracht zetten met de rechterhand, tillen, dragen en boven schouderhoogte werken. Daarbij is betrokken dat uit de informatie van Flöter niet gebleken is van belangrijke functiebeperkingen. Daarnaast zijn er beperkingen gegeven ten aanzien van het verrichten van rugbelastende werkzaamheden vanwege langer bestaande rugklachten bij bekende degeneratieve afwijkingen zonder aanwijzingen voor wortelcompressie. Deze beperkingen zijn vastgelegd in de FML van 14 april 2022. De verzekeringsarts en verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben naar het oordeel van de rechtbank inzichtelijk gemotiveerd waarom er geen aanleiding is appellant meer beperkt te achten dan per einde wachttijd en zoals beschreven in de FML van 28 september 2023. De medische situatie van appellant verschilt niet met die per einde wachttijd. Appellant heeft geen ernstige schouderpathologie of nieuwe schouderklachten en er zijn geen aanwijzingen voor een nieuw radiculair probleem. Appellant is, evenals per einde wachttijd, beperkt als gevolg van een chronische cuff tendinitis. De rugklachten van appellant leiden ook niet tot meer beperkingen. Leegwater heeft benoemd dat de klachten van tintelingen aan de handen bij appellant kunnen passen bij het carpaal tunnel syndroom, maar dat uit de anamnese niet blijkt dat appellant veel hinder ervaart van deze tintelingen. Dit geeft geen aanleiding om meer beperkingen te stellen dan al aangenomen in verband met zijn schouderklachten. De klachten die appellant na een krachtspanning met links aan zijn linkerzijde heeft ontwikkeld, geven geen reden meer beperkingen te stellen omdat deze klachten zich niet voordeden op de datum in geding.
2.2.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gemotiveerd heeft toegelicht dat de voor appellant (in bezwaar) geselecteerde functies in medisch opzicht passend zijn voor appellant.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft aangevoerd dat het medisch onderzoek, anders dan door de verzekeringsarts is opgetekend, in tijd en omvang beperkt is gebleven. Ook is hij meer beperkt dan door het de artsen van het Uwv is aangenomen. De verzekeringsartsen hebben de beperkingen aan zijn nekwervels C5-C6 en C4-C5 onvoldoende betrokken. Zijn behandelaars in Zwitserland hebben verklaard dat zijn pijnklachten van beknelde zenuwen in de nekwervels komen en chronisch zijn.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de mate van arbeidsongeschiktheid van 60,87% in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
5.1.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
5.2.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van de gronden die hij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft die gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen, worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd. De artsen van het Uwv hebben alle klachten van appellant betrokken bij de beoordeling en rekening gehouden met de informatie van Flöter en de bevindingen van de expertise van Leegwater. Appellant is onderzocht door zowel de verzekeringsarts als door Leegwater. Het medisch onderzoek is naar het oordeel van de Raad toereikend en volledig geweest. Appellant heeft in hoger beroep geen medische gegevens ingebracht of kunnen inbrengen (wat onder meer blijkt uit de mailwisseling tussen hem en het ziekenhuis in Zwitserland) die zijn standpunt onderbouwen dat hij meer beperkt is dan door de artsen van het Uwv is vastgesteld.
5.3.
Ook wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn.

Conclusie en gevolgen

5.4.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat mate van arbeidsongeschiktheid van 60,87% in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander, in tegenwoordigheid van J.A. AdjeiAsamoah als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026.

(getekend) S.B. Smit-Colenbrander

(getekend) J.A. Adjei-Asamoah