ECLI:NL:CRVB:2026:206

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
24/2499 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIAArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging toekenning WGA-vervolguitkering bij arbeidsongeschiktheid van 65-80%

Appellant, die zich ziekmeldde met psychische klachten en een WIA-uitkering ontving, stelde bezwaar en beroep in tegen de vaststelling van zijn mate van arbeidsongeschiktheid door het Uwv. Na een zorgvuldige medische en arbeidskundige beoordeling werd de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 65-80% en werd een WGA-vervolguitkering toegekend.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was, waarbij de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische situatie adequaat had beoordeeld, ook rekening houdend met door appellant ingebrachte deskundigen. De rechtbank vond geen aanleiding om de medische beoordeling te betwijfelen en wees het verzoek om een deskundige af.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat de beperkingen werden onderschat en dat onzorgvuldig was gehandeld, maar de Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank. De Raad stelde vast dat de medische beoordeling zorgvuldig en goed gemotiveerd was, dat de psychische klachten waren meegewogen en dat de eerder geselecteerde functies nog actueel waren. Het verzoek om een onafhankelijke deskundige werd afgewezen en het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen.

Uitkomst: De toekenning van de WGA-vervolguitkering met een arbeidsongeschiktheid van 65-80% blijft in stand en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/2499 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 26 september 2024, 24/2144 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 25 februari 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv met juistheid heeft geoordeeld dat de medische situatie van appellant op 27 april 2023 gelijk is gebleven aan de medische beoordeling aan het einde van de wachttijd.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.S. Pot, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 16 juli 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Pot, [naam verpleegkundige], verpleegkundige (niet-praktiserend) en arbeidsdeskundige en [naam persoonlijk begeleider] , persoonlijk begeleider. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Steenwijk.
De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst om appellant in de gelegenheid te stellen om medische informatie te overleggen. Appellant heeft vervolgens een nader stuk ingediend. Het Uwv heeft hierop met een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep gereageerd.
Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is een nadere zitting achterwege gelaten, waarna de Raad het onderzoek heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als werkvoorbereider voor 41,54 uur per week. Op 22 januari 2020 heeft hij zich ziekgemeld met psychische klachten. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst van 14 februari 2022. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd en een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 70,65%. Het Uwv heeft bij besluit van 24 februari 2022 aan appellant van 19 januari 2022 tot en met 26 april 2023 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend. Het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 21 december 2022 gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 58,75%. De rechtbank heeft het door appellant hiertegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en in hoger beroep heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
1.2.
Bij besluit van 19 januari 2023 heeft het Uwv de loongerelateerde uitkering van appellant per 27 april 2023 (datum in geding) omgezet naar een vervolguitkering. Daarbij is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 65 tot 80%.
1.3.
Bij besluit van 11 maart 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2.1.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de inbreng van de op de hoorzitting door appellant meegebrachte deskundigen betrokken bij de beoordeling. De rechtbank heeft appellant daarnaast niet gevolgd in zijn standpunt dat de medische beoordeling is gebaseerd op insinuerende opmerkingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Verder heeft de rechtbank vastgesteld dat appellant op de datum in geding geen revalidatiebehandeling volgde. Appellant heeft dit erkend. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft wel informatie ingewonnen over het revalidatietraject van appellant. Uit de toelichting van appellant op de zitting van de rechtbank en de door appellant ingebrachte informatie is het de rechtbank niet gebleken dat sprake is van relevante medische informatie die niet zou zijn meegewogen of dat sprake was van onduidelijkheden waarover nadere vragen aan deskundigen hadden moeten worden gesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep was er dan ook niet toe gehouden om nadere medische informatie op te vragen of aanvullende vragen aan behandelaars te stellen.
2.2.
De rechtbank heeft verder overwogen dat er geen sprake is van een van de criteria op grond waarvan kan worden besloten tot volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat voor het aannemelijk maken dat de medische beoordeling onjuist is, in principe een rapport van een arts of een medisch behandelaar noodzakelijk is. De standpunten die niet-praktiserend verpleegkundige en arbeidsdeskundige Houberg over de medische beoordeling innemen heeft de rechtbank, zonder nadere onderbouwing van een arts of medisch behandelaar, onvoldoende geacht om aannemelijk te maken dat de medische beoordeling onjuist is. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de conclusie van de primaire verzekeringsarts dat er geen sprake is van een ernstige psychische stoornis waaruit een onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren blijkt. Ook heeft de rechtbank onvoldoende aanleiding gezien om te twijfelen aan de medische beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Omdat appellant daarnaast niet in behandeling was op de datum in geding, heeft de rechtbank ook niet getwijfeld aan de conclusie dat er geen sprake was van verminderde beschikbaarheid op grond waarvan een urenbeperking zou moeten worden aangenomen. De rechtbank heeft het verzoek van appellant om een deskundige te benoemen, afgewezen.
2.3.
Verder heeft de rechtbank overwogen dat de voor appellant geselecteerde functies nog actueel waren en dat er bij een ongewijzigde medische situatie geen reden voor het Uwv is om nog een arbeidskundig onderzoek te verrichten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft (kort samengevat) aangevoerd dat de rechtbank en het Uwv onzorgvuldig hebben gehandeld. Ten onrechte is geconcludeerd dat een niet-medisch geschoolde de conclusies van de artsen van het Uwv niet kan aanvechten. Appellant stelt verder dat zijn beperkingen door de verzekeringsartsen zijn onderschat. Reeds op de datum in geding had appellant psychische klachten. Appellant heeft de Raad verzocht een onafhankelijk deskundige te benoemen.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
5.1.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
5.2.
De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het medisch onderzoek door de betrokken verzekeringsartsen op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De overwegingen die aan dit oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen, worden volledig onderschreven en maakt de Raad tot de zijne. De beroepsgrond dat de rechtbank en het Uwv onzorgvuldig hebben gehandeld slaagt dus niet. De Raad voegt hier nog het volgende aan toe.
5.3.
Appellant heeft gebruik gemaakt van de ruimte om (medische) stukken in te dienen door een brief van zijn behandelend psychiatrisch verpleegkundige te overleggen. Daarnaast heeft de verzekeringsarts informatie opgevraagd bij de revalidatiearts van appellant. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ook de informatie van de door appellant ingeschakelde arts A. Bernaert in acht genomen. Omdat Houberg niet-praktiserend verpleegkundige is en niet de behandelaar is van appellant, kan aan zijn visie niet de waarde worden gehecht die appellant daaraan gehecht wenst te zien. Overigens stemt wat appellant in de (hoger) beroepsgronden en ter zitting van de Raad aan klachten heeft vermeld overeen met de klachten die de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapporten van 21 februari 2024 en 28 augustus 2025 kenbaar in de afweging heeft betrokken.
5.4.
Onderschreven wordt wat door de rechtbank over de medische beoordeling in de aangevallen uitspraak is overwogen. De Raad maakt ook deze overwegingen tot de zijne. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, tast het oordeel van de rechtbank niet aan. Het Uwv heeft met de in 5.3 genoemde rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep deugdelijk gemotiveerd dat op de datum in geding sprake is van een ongewijzigd medisch feitencomplex ten opzichte van de beoordeling per einde wachttijd, 19 januari 2022. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook de psychische klachten van appellant in acht genomen. De nog in hoger beroep overgelegde informatie van de revalidatiearts ziet op een periode van twee jaar na de datum hier in geding en geeft reeds daarom geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
5.5.
Omdat de noodzakelijke twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling van het Uwv ontbreekt, wordt het verzoek van appellant om een onafhankelijk deskundige te benoemen, afgewezen.
5.6.
De rechtbank heeft ten slotte ook terecht geoordeeld dat het Uwv voldoende en inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de eerder geselecteerde functies nog actueel zijn.

Conclusie en gevolgen

5.7.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de toekenning van een WGA-vervolguitkering aan appellant waarbij het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid heeft vastgesteld op 65 tot 80% in stand blijft. Voor een veroordeling tot schadevergoeding bestaat daarom geen grond, zodat het verzoek daartoe dient te worden afgewezen.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026.
(getekend) D.S. de Vries
(getekend) G.T. Hunsel