Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:207

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
25/387 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering Ziektewetuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante, werkzaam als schoonmaakmedewerker, meldde zich ziek en vroeg een Ziektewetuitkering aan. Het UWV weigerde deze uitkering omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht en geschikt was voor vier van de vijf bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies.

De rechtbank oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat voldoende rekening was gehouden met de klachten en beperkingen van appellante, waaronder somatisch onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten (SOLK) en psychische klachten. De functies bleken passend bij haar belastbaarheid en medicatiegebruik.

Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen groter waren en dat onvoldoende rekening was gehouden met haar medicatie en psychische klachten. De Centrale Raad van Beroep volgde dit niet en bevestigde dat de medische beperkingen niet waren toegenomen ten opzichte van de WIA-beoordeling, waardoor de weigering van de ZW-uitkering terecht is.

De Raad vond geen aanleiding voor het benoemen van een onafhankelijk deskundige en wees het hoger beroep af. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Rotterdam bleef daarmee in stand.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Ziektewetuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/387 ZW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 januari 2025, 24/3896 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 25 februari 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellante per 28 juli 2023 heeft geweigerd. Volgens appellante was zij toen door haar (medische) beperkingen niet in staat de eerder, in het kader van de WIA-beoordeling, geselecteerde functies te verrichten. De Raad volgt dit standpunt van appellante niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft geweigerd.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Gümüs, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 3 december 2025. Voor appellante is mr. Gümüs verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door dr. J.C. van Beek.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante was werkzaam als medewerker schoonmaak voor gemiddeld 16 uur per week en heeft zich op 1 oktober 2019 ziekgemeld. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv bij besluit van 25 november 2021 geweigerd aan appellante met ingang van 25 november 2021 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellante werd niet meer in staat geacht tot het verrichten van haar laatste werk, maar wel tot het vervullen van diverse andere functies.
1.2.
Op 1 februari 2022 heeft appellante zich opnieuw ziekgemeld. Op dat moment ontving zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Rekening houdend met de doorbetaling van de WW gedurende dertien weken tijdens ziekte, heeft het Uwv appellante per 3 mei 2022 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.
1.3.
Met een besluit van 28 juli 2023 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen een besluit van 9 februari 2023, waarbij het Uwv appellante heeft laten weten dat zij met ingang van 5 december 2022 geen recht (meer) heeft op een uitkering op grond van de ZW, ongegrond verklaard. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had weliswaar aanleiding gezien om meer beperkingen vast te stellen, maar met die extra beperkingen is appellante alsnog geschikt geacht voor vier van de vijf functies die bij de WIA-beoordeling waren geselecteerd. Appellante is vervolgens weer in aanmerking gebracht voor een WWuitkering.
1.4.
Appellante heeft zich op 5 september 2023 met terugwerkende kracht opnieuw ziekgemeld met klachten aan haar rug, maar ook met extra psychische klachten en klachten aan been, voet en armen. In verband hiermee heeft zij op 26 oktober 2023 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft in verband met de ziekmelding met terugwerkende kracht en gelet op het onder 1.3 vermelde besluit van 28 juli 2023, de eerste arbeidsongeschiktheidsdag bepaald op 28 juli 2023. Na onderzoek heeft deze arts appellante geschikt geacht voor dezelfde vier van de vijf functies die bij de WIAbeoordeling waren geselecteerd, zoals dat ook het geval was bij het besluit van 28 juli 2023. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 9 november 2023 de uitkering op grond van de ZW van appellante per 28 juli 2023 geweigerd.
1.5.
Bij besluit van 12 maart 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
2.1.
Volgens de rechtbank heeft het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op zorgvuldige wijze plaatsgevonden. Dit onderzoek is gebaseerd op dossieronderzoek, anamnese, het spreekuur van 26 oktober 2023 met de verzekeringsarts, het aanvullend lichamelijk en psychisch onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de medische informatie afkomstig van de behandelend sector.
2.2.
Verder heeft de rechtbank overwogen dat voldoende rekening is gehouden met de klachten en beperkingen van appellante. Rekening is gehouden met een verminderde belastbaarheid op basis van reeds langer bestaande pijnklachten die door de behandelend sector zijn geduid als SOLK (somatisch onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten). De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft over SOLK opgemerkt dat het gaat om een diagnose die wordt gesteld als alle andere, somatisch verklaarbare redenen voor de ervaren problematiek zijn uitgesloten. Daarnaast ontbreekt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep een medisch substraat voor het aannemen van verdergaande beperkingen (waaronder een urenbeperking) dan die reeds zijn beschreven in de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 maart 2024. Daarin heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overwogen dat voldoende rekening is gehouden met een verminderde belastbaarheid op basis van genoemde problematiek en de functiebelasting binnen de maatstaf. In de vier functies wordt de belastbaarheid op lichamelijk vlak niet overschreden, gezien de geringe fysieke en energetische belasting bij deze functies, zonder het hoeven hanteren van zware lasten, de hele dag lopen en/of staan dan wel langdurig achtereen gebogen of getordeerd actief zijn. De beperkte maatmanomvang biedt voorts voldoende recuperatiemogelijkheden voor appellante. Ten aanzien van de psychische klachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overwogen dat er geen aanwijzingen zijn voor een ernstige psychopathologie in engere zin of het niet kunnen overzien van het eigen handelen, dan wel manifeste afwijkingen ten aanzien van de hoog cognitieve functies die een beperking op de concentratie, aandacht of het herinneren zou rechtvaardigen. De vier overgebleven functies zijn passend bij de afgenomen psychische spankracht, omdat geen sprake is van veelvuldige deadlines of productiepieken, een hoog handelingstempo of blootstelling aan conflicten of emotioneel belastende situaties. Met de medicatie van appellante is ook rekening gehouden en deze heeft geleid tot een beperking op het beroepsmatig chauffeuren en werkzaamheden waarbij sprake is van een verhoogd persoonlijk risico. Deze beperkingen komen niet voor binnen de vier overgebleven functies en leiden daarom niet tot ongeschiktheid voor die functies. Appellante is volgens de rechtbank daarom terecht geschikt geacht voor ‘haar arbeid’. Ten slotte heeft appellante geen stukken overgelegd die aan de beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep doen twijfelen.
Het standpunt van appellante
3. Appellante heeft herhaald dat zij meer beperkt is als gevolg van haar psychische klachten, haar chronische rugklachten en haar pijnklachten. De functies die het Uwv voor appellante geschikt heeft geacht houden volgens appellante geen rekening met al haar klachten en beperkingen. Bovendien is onvoldoende rekening gehouden met de door appellante gebruikte medicatie en is ten onrechte geen urenbeperking aangenomen.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de ZW-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Op grond van artikel 19 van Pro de ZW heeft een betrokkene recht op een ZW-uitkering als hij ongeschikt is voor ‘zijn arbeid’. Volgens vaste rechtspraak wordt met ‘zijn arbeid’ bedoeld het laatst verrichte werk voorafgaand aan de ziekmelding. Dit is de hoofdregel.
5.2.
Een uitzondering hierop wordt aangenomen in de situatie dat eerder een WIAbeoordeling heeft plaatsgevonden, betrokkene niet in enig werk heeft hervat en zich vervolgens weer ziek heeft gemeld. In een dergelijke situatie geldt het toetsingskader zoals uiteen is gezet in de uitspraak van de Raad van 23 december 2022. [1] Bij de toepassing van artikel 19 van Pro de ZW moet zijn voldaan aan de volgende twee voorwaarden:
1. van de oorspronkelijk bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies, met inbegrip van de functies die als reservefuncties aan de betrokkene zijn voorgehouden, zijn op de datum in geding ten minste drie functies met elk ten minste drie arbeidsplaatsen voor de betrokkene geschikt gebleven, én
2) op basis van die functies – gelet op de loonwaarde die die functies ten tijde van de WIA-beoordeling vertegenwoordigen, afgezet tegen het bij de WIA-beoordeling geldende maatmaninkomen – is nog steeds sprake van een arbeidsgeschiktheid van ten minste 65%.
5.3.
Aan deze voorwaarden is in ieder geval voldaan als de verzekeringsarts in het kader van de nieuwe ziekmelding vaststelt dat de medische beperkingen niet zijn toegenomen. Deze vaststelling is dan voldoende om een weigering van een ZW-uitkering op grond van artikel 19 van Pro de ZW te kunnen dragen. Indien de medische beperkingen van betrokkene ten opzichte van de WIA-beoordeling op een of meer punten van de FML zijn toegenomen, dan moet worden beoordeeld in hoeverre dit consequenties heeft voor de geschiktheid van de oorspronkelijk bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies.
5.4.
De verzekeringsartsen van het Uwv hebben vastgesteld dat de medische beperkingen van appellante op 28 juli 2023 niet zijn gewijzigd ten opzichte van de WIA-beoordeling. Dit betekent, dat als het verzekeringsgeneeskundig oordeel wordt gevolgd, deze vaststelling voldoende is om de weigering van een ZW-uitkering per 28 juli 2023 te kunnen dragen.
5.5.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het onderzoek van de verzekeringsartsen van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de conclusies van deze artsen. Wat appellante daartegen heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. Appellante heeft in hoger beroep geen nieuwe medische argumenten genoemd en geen nieuwe medische informatie overgelegd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de door de verzekeringsartsen van het Uwv getrokken conclusie. De rechtbank heeft de beroepsgronden afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen, worden onderschreven. Hieraan wordt het volgende toegevoegd.
5.6.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft kennis genomen van de informatie van Cirya GGZ van 21 november 2022 en van de ongedateerde brief van psychiater H.M. Buijs die de huisarts op 2 maart 2023 heeft ontvangen. Deze informatie is ook bij de medische beoordeling betrokken. Voor verdergaande psychische beperkingen op de datum in geding is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen onderbouwing. Dat appellante op een wachtlijst stond en eerst na de datum in geding is gestart met een behandeling, waardoor geen andere informatie beschikbaar is, biedt ten slotte geen aanknopingspunten voor een ander oordeel dan waartoe de rechtbank is gekomen. Dit betekent dat niet wordt getwijfeld aan de medische beoordeling door de verzekeringsartsen van het Uwv, zodat geen aanleiding bestaat voor het benoemen van een onafhankelijk deskundige, zoals door appellante ter zitting in hoger beroep verzocht.

Conclusie en gevolgen

5.7.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de ZW-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van J.A. Adjei-Asamoah als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026.

(getekend) D.S. de Vries

(getekend) J.A. Adjei-Asamoah

Voetnoten

1.CRvB 23 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2672.