ECLI:NL:CRVB:2026:211

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
24/2779 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 Wet WIAArt. 39 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verplichting tot deelname aan re-integratietraject ondanks psychische en lichamelijke klachten

Appellant, die vanwege psychische klachten en beperkingen arbeidsongeschikt is verklaard, werd door het UWV aangemeld voor een re-integratietraject participatie interventie. Hij stelde dat zijn lichamelijke en psychische klachten en medicatiegebruik deelname aan het traject onmogelijk maken. De rechtbank Rotterdam oordeelde dat het UWV terecht van appellant mocht verwachten dat hij actief deelneemt aan het traject en zich houdt aan het werkplan.

In hoger beroep heeft appellant medische stukken overgelegd ter onderbouwing van zijn klachten, maar de verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde dat de activiteiten in het traject niet psychisch of lichamelijk belastend zijn en binnen de belastbaarheid van appellant vallen. De Raad volgde dit oordeel en stelde dat het UWV terecht de verplichting tot deelname heeft opgelegd.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak benadrukt het belang van actieve deelname aan re-integratie, ook bij bestaande klachten, mits de activiteiten passend zijn.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant verplicht is deel te nemen aan het re-integratietraject en zich te houden aan het werkplan.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/2779 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 november 2024, 24/933 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 25 februari 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv op juiste gronden een werkplan heeft opgesteld waaruit volgt dat appellant wordt aangemeld voor het re-integratietraject participatie interventie waaraan appellant verplicht dient deel te nemen. Gelet op zijn lichamelijke en psychische klachten en medicatiegebruik kan volgens appellant niet van hem gevergd worden dat hij aan het traject deelneemt en de afspraken van het werkplan nakomt. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv van appellant mocht verwachten actief deel te nemen aan het re-integratietraject en mocht verwachten dat hij zich houdt aan de gemaakte afspraken in het werkplan.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Küçükünal, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere medische stukken overgelegd waarop het Uwv gereageerd heeft met een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Appellant heeft gereageerd op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 14 januari 2026. Voor appellant is mr. Küçükünal verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door H. van Haaften.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als kasmedewerker voor 37,93 uur per week. Appellant heeft zich vanuit een werkloosheidssituatie op 1 september 2019 ziekgemeld vanwege psychische klachten. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 30 augustus 2021. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd en een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 65%. Het Uwv heeft bij besluit van 7 september 2021 aan appellant met ingang van 29 augustus 2021 een loongerelateerde WGAuitkering op grond van de Wet WIA toegekend.
1.2.
Bij besluit van 17 mei 2022 heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid per 29 augustus 2021 vastgesteld op 100%. De beperkingen zijn niet duurzaam geacht. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. Een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aanleiding gezien de FML op 9 mei 2022 aan te scherpen. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft met de FML geconcludeerd dat er onvoldoende functies te selecteren zijn op basis waarvan een mate van arbeidsongeschiktheid is berekend van 100%. Met ingang van 11 februari 2023 is aan appellant een loonaanvullingsuitkering toegekend.
1.3.
Op 25 april 2023 heeft het Uwv een werkplan voor de re-integratie van appellant opgesteld. Dit werkplan vermeldt dat appellant wordt aangemeld bij een re-integratiebedrijf voor een traject participatie interventie voor vijf maanden, dat hij verplicht is actief deel te nemen aan dit traject en dat het niet nakomen van de afspraken met het Uwv Werkbedrijf of het re-integratiebedrijf gevolgen kan hebben voor zijn uitkering. Bij besluit van 4 januari 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 27 december 2023 ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat het Uwv appellant heeft mogen aanmelden voor het re-integratietraject participatie interventie waaraan appellant verplicht dient deel te nemen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft blijkens haar rapportage van 27 december 2023 rekening gehouden met de beperkingen van appellant en heeft afdoende gemotiveerd dat van appellant, rekening houdend met zijn medische situatie, verwacht kan worden dat hij actief deelneemt aan het traject participatie interventie. Ten aanzien van het standpunt van appellant dat zijn psychische klachten zijn toegenomen en dat hij dit met medische stukken voldoende heeft onderbouwd, heeft de rechtbank overwogen dat appellant niet heeft toegelicht vanaf wanneer zijn psychische klachten zijn toegenomen en waaruit die toename bestaat. Voor zover appellant van mening is dat zijn belastbaarheid inmiddels dusdanig is gewijzigd dat hij geen benutbare mogelijkheden meer heeft, kan hij een herbeoordeling aanvragen.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat het werkplan en de gemaakte afspraken, gelet op zijn lichamelijke en psychische klachten en het medicatiegebruik, te belastend voor hem zijn. Zijn psychische klachten zijn toegenomen. Appellant heeft in hoger beroep vele medische stukken overgelegd en stelt dat hij gelet op alle medische informatie voldoende de ernst van de psychische en fysieke klachten heeft onderbouwd op grond waarvan hij de afspraken in het werkplan niet kan nakomen en niet in staat is te re-integreren. Van hem kan niet verwacht worden dat hij activiteiten verricht die een bepaalde fysieke of mentale belasting met zich meebrengen.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het Uwv aan appellant de verplichting heeft kunnen opleggen tot het volgen van het traject participatie interventie. Dit doet hij aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Op grond van artikel 39, eerste lid, van de WIA is het Uwv verplicht, nadat het recht op een WGA-uitkering is vastgesteld, in samenspraak met de verzekerde een reintegratievisie vast te stellen waarin verplichtingen en rechten van de verzekerde zijn vermeld.
5.2.
Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Wet WIA is de verzekerde die recht heeft op een WGA-uitkering verplicht in voldoende mate te trachten mogelijkheden tot het verrichten van passende arbeid te behouden of te verkrijgen. Op grond van het tweede lid, aanhef, en onder d en e, van dit artikel is ter naleving van de plicht, bedoeld in het eerste lid, de verzekerde die recht heeft op een WGA-uitkering in elk geval verplicht mee te werken aan het opstellen van de re-integratievisie en het re-integratieplan en te voldoen aan verplichtingen die zijn opgenomen in de re-integratievisie en het re-integratieplan.
5.3.
Uit het werkplan van appellant volgt dat appellant wordt aangemeld voor het reintegratietraject participatie interventie waarbij 21 uren worden ingezet in vijf maanden tijd. Tijdens het traject leert appellant meer activiteiten te ontplooien, weer meer in beweging te komen, weer meer onder de mensen te komen, een zinvolle dagbesteding te hebben, krijgt hij begeleiding bij het opstarten van de benodigde behandeling en het verkrijgen van een gezond eetpatroon. Het doel is dat appellant gaat deelnemen aan sociale activiteiten buitenshuis.
5.4.
Het ingeschakelde re-integratiebedrijf heeft in het Re-integratieplan Modulaire Reintegratiediensten de activiteiten van het werkplan verder uitgewerkt. Hieruit blijkt dat appellant middels één-op-één gesprekken gestimuleerd en gecoacht zal worden om onder andere te leren omgaan met belemmeringen en negatieve gevoelens, het versterken van het gevoel van eigenwaarde, het verhogen van de actieradius, kwaliteiten ontdekken en meer zelfvertrouwen krijgen en alleen naar buiten durven gaan. Er zal met appellant geoefend worden om gesprekken te voeren en te leren hoe je contacten kunt maken en onderhouden en er zal aandacht besteed worden aan het verwerkingsproces, een vorm van rouwverwerking. Verder blijkt uit dit plan dat er achttien uren beschikbaar zijn voor het traject participatie interventie. De overige drie uur worden besteed aan rapporteren.
5.5.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 27 december 2023 voldoende gemotiveerd dat van appellant verwacht kan worden dat hij actief deelneemt aan het re-integratietraject. Naast de weergave van de activiteiten uit het werkplan beschrijft de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat het gaat om één-op-één gesprekken met het doel appellant te stimuleren en te coachen. Deze activiteiten zijn psychisch noch lichamelijk belastend en vormen geen overschrijding van de belastbaarheid van appellant. De in hoger beroep overgelegde medische stukken maken dit oordeel niet anders. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in haar rapport van 12 januari 2026 gereageerd op de overgelegde medische stukken en geen aanleiding gezien om een ander standpunt in te nemen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voldoende gemotiveerd dat uit deze stukken niet volgt dat appellant niet in staat is om deel te nemen aan de hierboven beschreven activiteiten. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep bevestigt de informatie dat appellant juist gebaat is bij de activiteiten en zelfs een deel al heeft opgepakt. Zo heeft hij een gezonder eetpatroon ontwikkeld, is hij wat afgevallen en heeft hij zich laten doorverwijzen voor neurologisch onderzoek. Het meer in beweging komen, het meer onder de mensen komen en een zinvolle dagbesteding vinden zijn activiteiten die van belang zijn voor zowel lichamelijke als psychische klachten. Een behandelaar heeft op 31 mei 2021 al aangegeven dat appellant af en toe een wandeling met zijn vrouw moest gaan maken waardoor hij niet alleen meer beweging krijgt maar ook meer onder de mensen komt. Contact met anderen is voor de behandeling van depressieve klachten van groot belang. Wat betreft de lichamelijke klachten heeft de manueel therapeut geadviseerd oefeningen te doen, waarbij appellant heeft aangegeven dat hij lid wil worden van een sportschool. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is de minimale artrose op diverse plekken een goede reden om dit vooral te gaan doen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep ziet dat de behandelaars proberen appellant te stimuleren tot het doen van meer activiteiten en gezonder te leven en dat appellant dit deels ook oppakt. Er is zodoende geen medische belemmering bij appellant om deel te nemen aan de activiteiten van het werkplan. De Raad acht deze motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep overtuigend.

Conclusie en gevolgen

5.6.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het Uwv van appellant mocht verwachten actief deel te nemen aan het reintegratietraject en mocht verwachten dat hij zich houdt aan de gemaakte afspraken in het werkplan.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, in tegenwoordigheid van D.M.A. van de Geijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026.

(getekend) E. Dijt

(getekend) D.M.A. van de Geijn