ECLI:NL:CRVB:2026:212

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
23/3496 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIAArt. 6:19 AwbArt. 6:24 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:113 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen vaststelling mate arbeidsongeschiktheid WIA-uitkering

Appellant, voormalig medewerker jeugdzorg, diende een WIA-uitkering aan wegens arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 52,62%. Na bezwaar en een gewijzigde beslissing van het UWV werd de mate van arbeidsongeschiktheid verhoogd naar 74,75%. Appellant stelde dat hij meer beperkingen had dan door het UWV erkend.

De Centrale Raad van Beroep benoemde een onafhankelijke verzekeringsarts als deskundige, die concludeerde dat er op medische gronden meer beperkingen waren dan in de FML van oktober 2023 waren opgenomen. De Raad volgde dit oordeel omdat het deskundigenrapport zorgvuldig, inzichtelijk en consistent was en de aanvullende beperkingen goed onderbouwd waren.

De Raad vernietigde de eerdere besluiten van het UWV wegens strijd met de Awb en beval een nieuwe beslissing op bezwaar, waarbij het deskundigenrapport in acht moet worden genomen. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten. Het verzoek om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente werd afgewezen.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de eerdere besluiten van het UWV en beveelt een nieuwe beslissing op bezwaar met inachtneming van het deskundigenrapport.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
23/3496 WIA, 24/1627 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 november 2023, 23/1850 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 25 februari 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 9 augustus 2022 heeft vastgesteld op 74,75%. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen De Raad volgt dit standpunt en komt tot het oordeel dat het Uwv de medische beperkingen van appellant niet juist heeft vastgesteld.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.B. van Voorthuizen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Appellant heeft een brief van longarts I.M. Kuipers-de Heer van 18 december 2023 en een rapport van verzekeringsarts M J. Gerritze van 25 september 2023 overgelegd.
Naar aanleiding van de aanvullende medische informatie heeft het Uwv op 13 mei 2024 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen, geregistreerd onder 24/1627 WIA.
De Raad heeft M.M. Wolff-van der Ven, verzekeringsarts, benoemd als deskundige voor het instellen van een onderzoek. Op 14 april 2025 heeft deze deskundige een rapport uitgebracht. Partijen hebben hierop gereageerd.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 21 januari 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Voorthuizen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als medewerker jeugdzorg voor 35.86 uur per week. Op 11 augustus 2020 heeft hij zich ziekgemeld met psychische en fysieke klachten. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 14 september 2022. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd en een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 52,62%. Het Uwv heeft bij besluit van 20 oktober 2022 aan appellant met ingang van 9 augustus 2022 een loongerelateerde WGAuitkering op grond van de Wet WIA toegekend.
1.2.
Bij besluit van 8 februari 2023 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee bestreden besluit 1 in stand gelaten.
Nieuwe besluitvorming
3. Op 19 oktober 2023 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep een gewijzigde FML opgesteld waarin aanvullende beperkingen zijn opgenomen. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens in een rapport van 7 november 2023 toegelicht dat onvoldoende geschikte functies en/of arbeidsplaatsen resteren en heeft nieuwe functies geselecteerd. Op basis van de nieuwe functies bedraagt de mate van arbeidsongeschiktheid 74,75%. Met een nieuwe beslissing op het bezwaar van 13 mei 2024 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellant alsnog gegrond verklaard, bestreden besluit 1 ingetrokken en vastgesteld dat appellant per 9 augustus 2022 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 74,75%.
Benoeming onafhankelijke deskundige in hoger beroep
4. De Raad heeft, omdat twijfel is ontstaan over de psychische belastbaarheid en de duurbelastbaarheid van appellant, verzekeringsarts Wolff-van der Ven als deskundige benoemd. De deskundige heeft in haar rapport van 14 april 2025 geconcludeerd dat er medische gronden zijn om meer beperkingen voor appellant aan de orde te achten op de datum in geding dan aangenomen in de FML van 19 oktober 2023.
Het standpunt van appellant
5. Appellant heeft aangevoerd dat hij volledig arbeidsongeschikt is op basis van fysieke, psychische en energetische belemmeringen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant gewezen op het rapport van de deskundige en het rapport van Gerritze. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten onrechte geen van de aanvullende beperkingen van de deskundige heeft overgenomen. De deskundige heeft de antwoorden op de vragen en conclusies goed onderbouwd. Appellant heeft gesteld dat het rapport van de deskundige gevolgd kan worden zo lang alle beperkingen, anders dan de urenbeperking, worden gevolgd maar dat een urenbeperking van twintig uur het beste zou zijn. Daarnaast heeft appellant benoemd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellant niet heeft gezien en de deskundige zeer uitvoerig en zorgvuldig onderzoek heeft verricht en uitvoerig heeft gerapporteerd.
Het standpunt van het Uwv
6. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 13 mei 2025 voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een juiste medische beoordeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gefundeerde kritiek op het rapport van de deskundige. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat in de FML van 19 oktober 2023 voldoende en adequate beperkingen zijn aangenomen ten aanzien van de belastbaarheid in werk. Voor de door de deskundige genoemde aanvullende beperkingen heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen verzekeringsgeneeskundige onderbouwing gezien.

Het oordeel van de Raad

7. Nu het Uwv door het nemen van bestreden besluit 2 het bij bestreden besluit 1 ingenomen standpunt niet langer handhaaft, slaagt het hoger beroep. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden vernietigd evenals het bestreden besluit 1.
7.1.
Met bestreden besluit 2 is niet geheel tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellant. De Raad zal dit besluit daarom, gezien het bepaalde in artikel 6:19, in samenhang met artikel 6:24 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in de beoordeling betrekken. Ter beoordeling ligt daarom of het Uwv met bestreden besluit 2 terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 9 augustus 2022 heeft vastgesteld op 74,75%. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep tegen bestreden besluit 2 slaagt.
7.2.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
7.3.
De Raad heeft aanleiding gezien een deskundige te benoemen. De deskundige heeft geconcludeerd dat er medische gronden zijn om meer beperkingen voor appellant aan de orde te achten op de datum in geding, 9 augustus 2022. Op datum in geding was bij appellant sprake van een status na myocardinfarct waarvoor CABG bij tevens reeds langdurig bekend perifeer vaatlijden, SLE-like disease en gebleken antifosfolipidensyndroom. Daarnaast was er tevens reeds sprake van OSAS, op datum in geding onbehandeld, en is het aannemelijk, gelet op de reeds voor datum in geding door de bedrijfsarts en de revalidatiearts van Belife beschreven psychische klachten, de bevindingen van de verzekeringsarts en de na datum in geding gestelde diagnose door de psycholoog, een andere gespecificeerde psychische stoornis door een somatische aandoening, dat deze diagnose ook al van toepassing was op datum in geding. De deskundige heeft in aanvulling op de FML van 19 oktober 2023 beperkingen aangenomen voor verdelen van de aandacht in het dagelijks functioneren (1.2), specifieke voorwaarden voor het persoonlijk functioneren in arbeid (1.8), emotionele problemen van anderen hanteren (2.6), omgaan met conflicten (2.8), vervoer (2.10), beroepsmatig vervoer (2.11), specifieke voorwaarden voor het sociaal functioneren in arbeid (2.12), staan (5.3), staan tijdens het werk (5.4) en perioden van het etmaal (6.1).
7.4.
Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde, deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent.
7.5.
Wat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in reactie op het deskundigenrapport naar voren heeft gebracht, is onvoldoende om aan de juistheid van de conclusies van de deskundige te twijfelen. De Raad gaat daarom uit van de door de deskundige aangenomen aanvullende beperkingen op de data in geding. De deskundige heeft haar rapport gebaseerd op uitgebreid onderzoek, waarbij zij appellant zelf heeft gezien en kennis heeft genomen van alle medische informatie, waaronder de rapporten van de verzekeringsartsen van het Uwv en het rapport van verzekeringsarts Gerritze. Mede omdat het oordeel van de deskundige onder meer wordt ondersteund door de conclusies van verzekeringsarts Gerritze en de informatie van bedrijfsarts in 2022 acht de Raad het rapport van de deskundige inzichtelijk en consistent. Het rapport komt de Raad overtuigend voor.
7.6.
De deskundige heeft naar het oordeel van de Raad voldoende onderbouwd dat aannemelijk is dat op de datum in geding ten minste sprake was van matige OSAS gezien de toename die blijkt uit de metingen in 2019 en 2023 en het feit dat het om onbehandelde OSAS gaat. Zowel de deskundige als verzekeringsarts Gerritze gaan uit van ernstige energetische beperkingen. Daarnaast heeft de deskundige uitvoerig uiteengezet dat een aanzienlijk verminderde energetische belastbaarheid niet alleen aanleiding geeft tot een verminderde fysieke belastbaarheid maar ook aanleiding tot een verminderde belastbaarheid voor mentale (duur)belasting. Cognitieve klachten worden in dit kader ook specifiek beschreven bij OSAS en overigens ook in het kader van hartfalen, waarbij een verminderde cerebrale circulatie een rol speelt, zoals ook beschreven in het verzekeringsgeneeskundig protocol chronisch hartfalen. Ook kan de vaatproblematiek hierin een rol spelen en kunnen psychische stoornissen van negatieve invloed zijn op cognitieve prestaties. Daarnaast was door de beperkte energetische belastbaarheid in combinatie met de beschreven psychische stoornis aannemelijk dat sprake was van een verminderde psychische spankracht en stressbestendigheid. Verder heeft de deskundige toereikend toegelicht dat op energetische gronden en bij gevorderd perifeer vaatlijden een beperking voor staan aangewezen is. Tot slot achten zowel de deskundige als verzekeringsarts Gerritze een beperking voor werken in de avond en ’s nachts aangewezen in verband met de recuperatiebehoefte.

Conclusie en gevolgen

7.7.
Het hoger beroep slaagt dus en de aangevallen uitspaak zal worden vernietigd. De bestreden besluiten moeten worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De Raad kan niet zelf voorzien, omdat daarvoor informatie ontbreekt. Het Uwv zal daarom opnieuw op het bezwaar van appellant dienen te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.
7.8.
Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de door het Uwv te nemen nieuwe beslissingen op de bezwaren slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld. Omdat de hoogte van de WIA-uitkering nog niet vaststaat, moet het verzoek om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente worden afgewezen.
Aanleiding bestaat het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-) en op € 2.335,- in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de reactie op het rapport van de deskundige, met een waarde per punt van € 934,-). Daarnaast komen voor vergoeding in aanmerking de kosten die appellant redelijkerwijs heeft moeten maken voor het inschakelen van een deskundige. Appellant heeft verzocht om vergoeding van de kosten van de rapporten van Gerritze ter hoogte van in totaal € 1.161,60 (inclusief btw). Het Uwv heeft ter zitting verklaard dat bedrag niet te betwisten. De totale proceskostenveroordeling bedraagt € 5.364,60. Ook bestaat aanleiding te bepalen dat het Uwv het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht aan appellant vergoedt.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 8 februari 2023 gegrond en vernietigt dat besluit;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 13 mei 2024 gegrond en vernietigt dat besluit;
- draagt het Uwv op een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente af;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 5.364,60;
- bepaalt dat het Uwv het in beroep en hoger beroep door appellant betaalde griffierecht van in totaal € 186,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van C.M. Snellenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026.

(getekend) E.W. Akkerman

De griffier is verhinderd te ondertekenen.