ECLI:NL:CRVB:2026:213

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
25/2280 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:24 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding in WAO-zaak

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 juli 2012 in een WAO-zaak. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedroeg zes weken, ingaande op de dag na bekendmaking van de uitspraak. Het beroepschrift is echter pas op 10 november 2025 ontvangen, ruim 13 jaar na het verstrijken van de termijn op 14 augustus 2012.

Appellant voerde aan dat de termijnoverschrijding het gevolg was van een ernstige en langdurige medische toestand, waaronder een chronische depressieve stoornis, de ziekte van Parkinson en ernstige lage rugklachten. Desondanks oordeelt de Raad dat deze omstandigheden onvoldoende aannemelijk maken dat appellant niet eerder in staat was om het hoger beroep in te stellen.

De Raad stelt vast dat belangen die met het materiële geschil gemoeid zijn, niet relevant zijn voor de beoordeling van de ontvankelijkheid. Gezien de ruime termijnoverschrijding en het ontbreken van verschoonbare omstandigheden wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het betaalde griffierecht wordt aan appellant terugbetaald en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-tijdige indiening en niet-verschoonbare termijnoverschrijding.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
3 juli 2012, 11/6110 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te Marokko (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 25 februari 2026

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

OVERWEGINGEN

In artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken bedraagt. Deze termijn gaat in op de dag nadat de aangevallen uitspraak aan partijen is bekendgemaakt. Dat volgt uit artikel 6:8 van Pro de Awb. Een beroepschrift is tijdig ingediend als het voor het einde van de termijn is ontvangen of als het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Deze regels staan in artikel 6:9 van Pro de Awb. Uit artikel 6:24 van Pro de Awb volgt dat deze bepalingen ook gelden voor het hoger beroep.
Als een beroepschrift na afloop van de beroepstermijn is ingediend blijft nietontvankelijkverklaring op grond van termijnoverschrijding achterwege als die overschrijding het gevolg is van bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen, als deze is veroorzaakt door handelen of nalaten van het bestuursorgaan en mogelijk ook als sprake is van een andere reden die tot die overschrijding heeft geleid. Bij de beoordeling of hiervan sprake is worden alle omstandigheden van het geval in hun samenhang bezien.
Als het beroepschrift niet tijdig is ingediend en de termijnoverschrijding is niet verschoonbaar, dan moet het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Belangen die met het materiële geschil zijn gemoeid, zijn bij de beoordeling niet relevant.
De uitspraak waartegen hoger beroep is ingesteld is op 3 juli 2012 in afschrift bij aangetekende brief aan partijen toegezonden. Dat betekent dat de termijn om hoger beroep in te stellen is aangevangen op 3 juli 2012 en geëindigd is op 14 augustus 2012.
Het beroepschrift is op 10 november 2025 ontvangen en dus na afloop van de beroepstermijn ingediend. Bij brief van 18 december 2025 is aan appellant gevraagd naar de reden van de termijnoverschrijding.
Appellant heeft daarop bij brief van 10 januari 2026 geantwoord dat het niet voortzetten van het hoger beroep niet het gevolg is geweest van onwil, nalatigheid of desinteresse, maar uitsluitend van zijn ernstige en langdurige medische toestand. Appellant stelt dat hij al vele jaren ernstig ziek is. Appellant lijdt sinds 1990 aan een chronische depressieve stoornis en sinds enkele jaren ook aan de ziekte van Parkinson. Verder kampt appellant sinds 2010 met ernstige lage rugklachten met uitstralende pijn naar beide benen. Medisch onderzoek heeft onder meer sacrale cysten en een hernia op niveau L4-L5 aangetoond. Door de aanhoudende en invaliderende pijn, gecombineerd met zijn psychische en neurologische aandoeningen was appellant gedurende lange tijd niet in staat om juridische procedures adequaat te volgen of voort te zetten. Appellant benadrukt nadrukkelijk dat het niet tijdig instellen van hoger beroep geen bewuste keuze is geweest, maar het directe gevolg is geweest van zijn gezondheidstoestand en fysieke en mentale beperkingen.
Appellant heeft daarmee geen bijzondere omstandigheid aangevoerd die maakt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Daarbij is redengevend dat sprake is van een termijnoverschrijding van ruim 13 jaar en dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat appellant niet (veel) eerder in staat is geweest zelf, dan wel met een gemachtigde hoger beroep in te stellen. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist. Met toepassing van artikel 8:114 van Pro de Awb zal het door appellant betaalde griffierecht door de griffier van de Raad aan hem worden terugbetaald.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
  • bepaalt dat de griffier het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 143,- aan appellant vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander in tegenwoordigheid van
J.M. Labage als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026.
(getekend) S.B. Smit-Colenbrander
(getekend) J.M. Labage
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.