ECLI:NL:CRVB:2026:216

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
25/1152 NOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:15 AwbArt. 8:75 AwbArt. 2, derde lid, Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging proceskostenveroordeling minister in NOW-subsidiezaak

Appellante ontving een voorschot op een NOW-subsidie, maar diende de definitieve aanvraag niet tijdig in door interne communicatieproblemen. De minister stelde de subsidie aanvankelijk op nihil vast en vorderde het voorschot terug. Appellante maakte bezwaar en diende alsnog de aanvraag in met een derdenverklaring. De minister herzag het besluit en kende alsnog een subsidie toe.

De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk, veroordeelde de minister tot betaling van proceskosten van €907 en griffierecht, maar wees vergoeding van kosten rechtsbijstand af. Appellante ging in hoger beroep en vorderde vergoeding van €10.500 aan kosten rechtsbijstand, stellende dat het UWV laakbaar had gehandeld.

De Raad oordeelde dat appellante geen verzoek tot vergoeding van kosten bezwaar had ingediend en dat geen bijzondere omstandigheden bestonden die een hogere vergoeding rechtvaardigen. Het feit dat de minister het besluit herzag, was geen reden voor uitzonderlijke kostenvergoeding. De Raad bevestigde daarom de proceskostenveroordeling van de rechtbank en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de proceskostenveroordeling van de minister tot betaling van €907 aan appellante zonder vergoeding van kosten rechtsbijstand.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/1152 NOW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 30 april 2025, 23/6792 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante ] B.V. te [vestigingsplaats] (appellante)
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (minister)
Datum uitspraak: 25 februari 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak uitsluitend om de vraag of de rechtbank de minister terecht heeft veroordeeld in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 907,- aan kosten van verleende rechtsbijstand. Die vraag beantwoordt de Raad bevestigend.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft drs. G.M. Kamps , werkzaam bij [naam B.V.] , hoger beroep ingesteld. Namens de minister heeft de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Appellante heeft daarna om een zitting gevraagd.
De Raad heeft de zaak aan de orde gesteld op een zitting van 14 januari 2026. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.
Bij besluit van 12 oktober 2021 heeft de minister aan appellante een subsidie in de loonkosten op grond van de Vierde Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW-4), zesde aanvraagperiode, verleend van € 51.470,-, waarvan een bedrag van € 41.175,- als voorschot wordt uitbetaald.
1.2.
Bij brieven van 24 januari 2023 en 28 februari 2023 heeft de minister appellante erop gewezen dat hij nog geen definitieve berekening van de subsidie heeft aangevraagd. In de brief van 28 februari 2024 heeft de minister vermeld dat appellante tot 19 april 2023 de tijd heeft om dit alsnog te doen.
1.3.
Bij besluit van 11 mei 2023 (primaire besluit) heeft de minister de definitieve subsidie vastgesteld op nihil. Aan dat besluit heeft de minister ten grondslag gelegd dat appellante geen aanvraag heeft ingediend, waardoor het definitieve bedrag aan subsidie waarop appellante recht heeft niet kan worden berekend. De minister heeft ook het betaalde voorschot van € 41.175,- van appellante teruggevorderd.
1.4.
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. In zijn bezwaarschrift heeft appellante vermeld dat binnen [naam B.V.] één persoon verantwoordelijk was voor het aanvragen van steunmaatregelen in verband met het coronavirus. Appellante heeft toegelicht dat de betreffende medewerker per 1 juli 2022 [naam B.V.] heeft verlaten en dat de dossieroverdracht bij zijn vertrek niet geheel vlekkeloos is verlopen. De berekening van de vaststelling van de subsidie op grond van de NOW-4, zesde aanvraagperiode, is hierdoor niet overgedragen aan een collega en dat heeft ertoe geleid dat de berekening niet is ingediend bij het Uwv. Appellante heeft bij zijn bezwaarschrift alsnog een volledige aanvraag voor de vaststelling van de subsidie op grond van de NOW-4 ingezonden.
1.5.
Bij besluit van 23 september 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
1.6.
Tijdens de procedure in beroep heeft de minister zijn standpunt gewijzigd en het bestreden besluit ingetrokken. Bij de gewijzigde beslissing op bezwaar van 14 februari 2025 heeft de minister het bezwaar alsnog gegrond verklaard en aan appellante een definitieve subsidie toegekend van € 79.799,-. In de nieuwe beslissing op bezwaar is vermeld dat appellante bij de aanvraag voor de vaststelling van de subsidie een derdenverklaring had moeten overleggen en dat appellante deze derdenverklaring met het bezwaarschrift heeft aangeleverd. Doordat de verklaring bij de indiening van het bezwaar alsnog is verstrekt, heeft de minister aanleiding gezien om de nihilstelling te herroepen en het omzetverlies conform de verklaring vastgesteld op 31%. De minister heeft de subsidie berekend op € 79.779,-.
1.7.
Bij brief van 18 februari 2025 heeft appellante de rechtbank verzocht de minister te veroordelen tot integrale vergoeding van de gemaakte kosten van bezwaar en proceskosten in beroep. Volgens appellante had de medewerker van het Uwv, die het bezwaar behandelde, op de hoogte moeten zijn van het interne beleid. Als deze medewerker zich aan het interne beleid had gehouden, had een procedure bij de rechtbank voorkomen kunnen worden.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard, de minister veroordeeld in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 907,- en tot vergoeding van het door appellante betaalde griffierecht van € 365,-. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien de minister te veroordelen in de kosten van rechtsbijstand in bezwaar en ook niet tot integrale vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in beroep.
Het standpunt van appellant
3. Appellante is het niet eens met de door de rechtbank uitgesproken veroordeling in de proceskosten. Appellante stelt zich primair op het standpunt dat de rechtbank de minister, met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), had moeten veroordelen in de daadwerkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand in bezwaar en beroep. Appellante heeft deze kosten berekend op een bedrag van € 10.500,-. Volgens appellante heeft het Uwv, namens de minister, laakbaar gehandeld door pas tijdens de procedure in beroep op basis van eigen beleid de aanvraag voor de vaststelling van de definitieve subsidie in behandeling te nemen. Appellante stelt zich subsidiair op het standpunt dat de rechtbank de minister had moeten veroordelen tot forfaitaire vergoeding van de kosten van bezwaar. Volgens appellante had de minister hem moeten wijzen op de mogelijkheid om te vragen om vergoeding van de kosten van bezwaar.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de minister heeft veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 907,-. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dat oordeel heeft.
Kosten van bezwaar
4.1.
Appellante wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat de rechtbank de minister had moeten veroordelen in de kosten van bezwaar. Artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken door het bestuursorgaan uitsluitend worden vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Uit de gedingstukken blijkt niet dat appellante de minister heeft verzocht om vergoeding van de kosten van bezwaar. Appellante heeft dat ook niet gesteld. Anders dan appellante kennelijk meent, had de minister hem niet hoeven te wijzen op de mogelijkheid om te vragen om vergoeding van de kosten van bezwaar.
Proceskosten
4.2.
Het uitgangspunt van het op artikel 8:75 van Pro de Awb gebaseerde Bpb is dat een forfaitaire vergoeding wordt toegekend. In artikel 2, derde lid, van het Bpb is neergelegd dat hiervan in bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken. De toelichting bij het Bpb vermeldt dat in uitzonderlijke gevallen strikte toepassing van de regeling onrechtvaardig kan uitpakken en dat de rechter in bijzondere omstandigheden de volgens het Bpb berekende vergoeding – zonder af te doen aan het karakter van een tegemoetkoming in de daadwerkelijke kosten ‑ kan verlagen of verhogen. Benadrukt wordt dat het werkelijk gaat om uitzonderingen en als voorbeeld wordt genoemd een geval waarin de burger door gebrekkige informatieverstrekking door de overheid op uitzonderlijk hoge kosten voor het verzamelen van het benodigde feitenmateriaal is gejaagd.
4.3.
Van bijzondere omstandigheden kan sprake zijn als een betrokkene, als gevolg van de werkwijze van een bestuursorgaan, uitzonderlijk hoge kosten heeft moeten maken (zie de uitspraak van de Raad van 10 december 2015). [1] Bij de beoordeling of daarvan sprake is, moet ook betekenis worden toegekend aan de vraag of de betrokkene de kosten redelijkerwijs heeft moeten maken, zoals artikel 8:75 van Pro de Awb voorschrijft.
4.4.
De gevraagde integrale vergoeding van de gemaakte kosten van rechtsbijstand wordt afgewezen, omdat geen sprake is van bijzondere omstandigheden waarin appellante door de werkwijze van de minister uitzonderlijk hoge kosten heeft moeten maken. Dat de minister het bestreden besluit heeft herroepen en appellante alsnog een subsidie op grond van de NOW-4, zesde aanvraagperiode, heeft toegekend, is op zichzelf geen bijzondere omstandigheid. Appellante is niet door gebrekkige informatieverstrekking van de minister met uitzonderlijk hoge kosten geconfronteerd. Dat de minister de subsidie achteraf alsnog heeft toegekend houdt geen verband met een onzorgvuldige handelwijze van de minister in bezwaar, maar is het gevolg van een gewijzigd inzicht bij de minister waardoor ook aanvragen waarbij de vereiste derdenverklaring pas met het bezwaarschrift is overgelegd in behandeling worden genomen. Ten slotte wil de Raad hier niet onvermeld laten dat als appellante de aanvraag met de derdenverklaring tijdig had ingediend, de minister al bij het primaire besluit de definitieve subsidie juist had kunnen vaststellen en appellante geen kosten van rechtsbijstand had hoeven maken.

Conclusie en gevolgen

4.5.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, voor zover aangevochten. Dit betekent dat de door de rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling in stand blijft.
Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van J.A. Adjei-Asamoah als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026.

(getekend) S. Wijna

(getekend) J.A. Adjei-Asamoah

Voetnoten

1.CRvB 10 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4672.