ECLI:NL:CRVB:2026:220

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
24/2070 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 ParticipatiewetArt. 30c Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenArt. 54 ParticipatiewetArt. 58 ParticipatiewetArt. 6:7 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens meer gewerkte uren dan opgegeven en niet-ontvankelijkverklaring bezwaar boete

Appellant en zijn echtgenote ontvingen bijstand op grond van de Participatiewet. Na een anonieme melding startte de gemeente Delft een onderzoek naar vermeende niet opgegeven werkzaamheden van appellant als pakketbezorger. Uit overzichten van het postbedrijf bleek dat appellant meer uren werkte dan hij had opgegeven, wat leidde tot intrekking en terugvordering van bijstand.

Appellant voerde aan dat de overzichten onjuist waren omdat anderen zijn werkaccount gebruikten en dat hij geen beloning kreeg voor extra uren. Deze stellingen werden door de Raad verworpen vanwege onvoldoende onderbouwing en tegenstrijdigheden met eigen verklaringen en contracten.

Daarnaast werd het bezwaar tegen een opgelegde boete niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant het bezwaarschrift te laat had ingediend en onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het tijdig was aangeboden aan Falkpost.

De Raad bevestigde de uitspraken van de rechtbank en wees de hoger beroepen af. Appellant kreeg geen proceskostenvergoeding. De beslissing werd genomen door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 24 februari 2026.

Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand en de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de boete worden bevestigd.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/2070 PW, 24/2071 PW
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van 25 juli 2024, 23/717 (aangevallen uitspraak 1) en 23/857 (aangevallen uitspraak 2)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Delft (college)
Datum uitspraak: 24 februari 2026

SAMENVATTING

Zaak 24/2070 PW gaat over een intrekking en terugvordering van bijstand van appellant op de grond dat hij meer werkzaamheden heeft verricht dan bij het college bekend was. Appellant vindt dit onterecht omdat het college zich niet mocht baseren op de onderzoeksbevindingen en omdat hij voor zijn koerierswerkzaamheden geen beloning kon krijgen. Zaak 24/2071 PW gaat over een niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar van appellant tegen de oplegging van een boete. Appellant vindt dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat het bezwaarschrift tijdig aan Falkpost is aangeboden en dat het bezwaar daarom ontvankelijk is. Appellant krijgt, net als bij de rechtbank, in beide zaken geen gelijk.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N.M. Fakiri, advocaat, hoger beroepen ingesteld. Het college heeft verweerschriften ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaken verwezen naar de enkelvoudige kamer.
De Raad heeft partijen laten weten hoe hij het geschil in beide zaken voorshands ziet en ook dat hij gezien de feiten en standpunten die blijken uit het dossier een zitting voor het verkrijgen van informatie niet nodig vindt. Partijen zijn daarbij gewezen op hun recht om te worden gehoord en daarbij verzocht dit binnen de aan hen gegeven termijn aan de Raad kenbaar te maken. Na het verstrijken van de termijn heeft de Raad het onderzoek gesloten.
De Raad heeft het onderzoek heropend omdat gebleken is dat appellant toch binnen de hem gegeven termijn heeft verklaard gebruik te maken van het recht te worden gehoord.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaken behandeld op een zitting van 13 januari 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Fakiri. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van de hoger beroepen zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant en zijn echtgenote (X) ontvingen sinds 1 december 2020, in aanvulling op de inkomsten uit arbeid van appellant en de inkomsten uit studiefinanciering van X, bijstand op grond van de Participatiewet naar de norm voor gehuwden. Appellant werkte sinds 1 december 2020 in opvolgend dienstverband met drie verschillende subcontractors als chauffeur/pakketbezorger voor een postbedrijf op oproepbasis.
1.2.
Naar aanleiding van een anonieme melding op 12 juli 2021, die inhield dat appellant maandelijks naast witte verdiensten van tussen de € 100,- en € 300,- ook zwarte werkzaamheden verrichtte en daarmee € 2.700,- zou verdienen, heeft de sociale recherche van de gemeente Delft een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant en X verleende bijstand. In dat kader zijn onder andere inlichtingen gevorderd bij en verkregen van het postbedrijf en is geprobeerd om inlichtingen te verkrijgen bij de subcontractors. Appellant was verder uitgenodigd om op een gesprek in persoon te verschijnen en vragen te beantwoorden. De gemachtigde van appellant heeft het college daarop te kennen gegeven dat de wet niet voorschrijft dat het college mag bepalen hoe de medewerkingsverplichting wordt ingevuld en dat appellant aan zijn medewerkingsverplichting kan voldoen door vragen op schrift naar waarheid te beantwoorden. Vervolgens heeft appellant op 24 januari 2022 desgevraagd schriftelijk nadere inlichtingen en stukken verstrekt. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport van 23 februari 2022.
1.3.
Met een besluit van 24 februari 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 9 januari 2023 (bestreden besluit 1), heeft het college de bijstand van appellant en X over de maanden december 2020 en april 2021 tot en met november 2021 ingetrokken en de over die maanden ten onrechte gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 4.165,29 van hen teruggevorderd. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat uit de van het postbedrijf ontvangen overzichten blijkt dat appellant in de maanden waar het hier om gaat aanzienlijk meer dagen en uren als pakketbezorger heeft gewerkt dan het aantal uren dat op de salarisspecificaties van de subcontractors vermeld stond en die hij aan het college had opgegeven. Appellant en X hebben daardoor de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden. Gelet op de aard en omvang van deze werkzaamheden is sprake van productieve arbeid die in het maatschappelijk verkeer een economische waarde vertegenwoordigt, in ieder geval op het niveau van het minimumloon. Het college heeft op basis van dit loon en de volgens het postbedrijf door appellant gewerkte uren berekend welk bedrag appellant aan inkomsten had kunnen bedingen. De som daarvan komt in elke maand hier in geding boven de bijstandsnorm uit. Om die reden hebben appellant en X geen recht op bijstand.
1.4.
Met een besluit van 8 april 2022 heeft het college appellant en X een boete opgelegd van € 935,74. Het college is daarbij uitgegaan van normale verwijtbaarheid en heeft rekening gehouden met de draagkracht van appellant en X. Het tegen dit besluit gericht bezwaarschrift van 18 mei 2022 van appellant heeft het college op 27 mei 2022 ontvangen.
1.5.
Met een besluit van 12 december 2022 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 8 april 2022 niet-ontvankelijk verklaard. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat het bezwaar buiten de bezwaartermijn is ontvangen en dat wat appellant aan stukken heeft aangeleverd over het tijdig aanbieden van het poststuk aan Falkpost onvoldoende bewijs is om aan te kunnen nemen dat appellant geen verwijt treft dat het bezwaarschrift pas op 27 mei 2022 door het college is ontvangen.
Uitspraken van de rechtbank
2. De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard en daarmee de bestreden besluiten in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraken van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de bestreden besluiten over de intrekking en terugvordering van bijstand en over de niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar tegen de opgelegde boete in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat de hoger beroepen niet slagen. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van de hoger beroepen belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Aangevallen uitspraak 1 (intrekking en terugvordering)
4.1.
Intrekking en terugvordering van bijstand zijn voor de betrokkene belastende besluiten. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Deze bewijslast brengt in dit geval met zich dat het college aannemelijk moet maken dat, en in welk opzicht, appellant in de maanden waar het hier om gaat de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat hij als gevolg daarvan geen recht op bijstand heeft.
4.2.
Het geschil spitst zich toe op de vraag of de onderzoeksbevindingen van het college een toereikende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt van het college dat appellant in de maanden waar het hier om gaat meer uren voor het postbedrijf heeft gewerkt dan de uren zoals die blijken uit de salarisspecificaties die hij aan het college had verstrekt.
4.3.
Appellant voert in hoger beroep namelijk aan dat de verkregen overzichten van het postbedrijf niet juist zijn. De starttijden werden door het postbedrijf niet exact geregistreerd en de werkaccounts en/of pakketscanners van de postbezorgers werden ook door andere werknemers gebruikt. Op 1 april 2021 heeft appellant op het werkaccount van een ander gewerkt. Ter onderbouwing hiervan heeft appellant een afschrift van een Whatsappbericht overgelegd. Op 10 november 2021 heeft iemand anders met de pakketscanner van appellant de bezorgwerkzaamheden voortgezet, nadat hij na een mishandeling in de ochtend naar het ziekhuis is vervoerd. Ter onderbouwing hiervan heeft appellant een aangifte bij de politie overgelegd en een medisch stuk. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.3.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat de verkregen overzichten van het postbedrijf betrekking hebben op het werkaccount van appellant. Deze overzichten vermelden, naast de naam van appellant als bezorger, ook de data waarop is gewerkt, de naam van de subcontractor, het aantal te bezorgen pakketten, het aantal geplande en gemaakte stops en het aantal bezorgde pakketten en de tijdstippen waarop het laatste pakket werd verwerkt. Dat de starttijden niet exact werden geregistreerd laat onverlet dat uit de overzichten onmiskenbaar volgt dat er op het werkaccount van appellant veel meer uren en dagen is gewerkt dan door appellant is opgegeven. De enkele, niet met toereikende gegevens onderbouwde, stelling van appellant dat andere personen op een groot deel van de geregistreerde dagen op zijn werkaccount zouden hebben gewerkt, is onvoldoende om te twijfelen aan de juistheid van de overzichten van het postbedrijf. Dat wordt hierna toegelicht.
4.3.2.
De Raad stelt voorop dat appellant in zijn schriftelijke en ondertekende verklaring van 24 januari 2022 zelf heeft geschreven dat het klopt dat hij meer uren en dagen werkte. Aan het betoog van appellant in hoger beroep dat niet van deze schriftelijke verklaring uit mag worden gegaan gaat de Raad voorbij. Appellant heeft zelf uitdrukkelijk verzocht om schriftelijk in plaats van in persoon inlichtingen te verschaffen en heeft zelf de verklaring opgesteld en ingediend. Dat de verklaring van appellant als gevolg van beperkt begrip van de Nederlandse taal niet juist of onvolledig is, zoals appellant stelt, acht de Raad niet aannemelijk. Daarbij is ook van belang dat appellant dit eerst ter zitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht.
4.3.3.
Uit de gestelde omstandigheid dat appellant zijn werkzaamheden op zijn laatste werkdag op 10 november 2021 als gevolg van de mishandeling niet zelf heeft kunnen afronden volgt, wat daar ook van zij, daarnaast niet dat derden op één of meer andere dagen daarvoor op zijn werkaccount hebben gewerkt. In dat verband is ook van belang dat uit de informatie van het postbedrijf blijkt dat de bezorgers van subcontractors voor aanvang van de werkzaamheden zich fysiek bij het depot moeten aanmelden, waarbij medewerkers van het postbedrijf onder andere hun legitimatiebewijs controleren. Ook de stelling van appellant dat hij op 1 april 2021 op het account van een ander heeft gewerkt baat hem niet. Nog daargelaten dat het aannemelijk achten van deze stelling ertoe leidt dat appellant nog meer uren en dagen heeft gewerkt dan door het college is aangenomen, omdat deze dag niet als gewerkte dag op de overzichten is opgenomen, volgt uit het Whatsappbericht niet dat appellant op het account van een ander heeft gewerkt. Daaruit blijkt alleen dat op 31 maart 2021 een Whatsappbericht naar een niet uit het afschrift op te maken persoon is gestuurd waarin een nummer en een concrete naam van een derde wordt genoemd en het gebod dat die naam goed onthouden moet worden.
4.4.
Appellant heeft verder aangevoerd dat hij meer uren en dagen moest werken om alle pakketten te kunnen bezorgen en werd op basis van de hoeveelheid afgeleverde pakketten uitbetaald en niet op basis van de daadwerkelijk gewerkte uren. Voor zover appellant hiermee heeft willen betogen dat hij die extra uren niet hoefde te melden, omdat hij daarvoor geen betaling heeft gekregen, slaagt dit betoog alleen al niet omdat het feitelijke grondslag mist. Appellant heeft zijn betoog niet onderbouwd en uit de door hem overgelegde en ondertekende uitzendovereenkomst met de subcontractor blijkt dat appellant juist wel werd beloond op basis van gewerkte uren en dus niet op basis van geleverde poststukken.
Aangevallen uitspraak 2 (niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen het boetebesluit)
4.5.
Niet in geschil is dat uitgaande van de datum waarop het college het bezwaarschrift heeft ontvangen, de voor het indienen van een bezwaarschrift geldende termijn van zes weken is overschreden. In deze zaak is alleen in geschil de vraag of het bezwaarschrift van appellant voor het einde van de wettelijke termijn ter post is bezorgd.
4.5.1.
Appellant voert aan dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat het bezwaarschrift tijdig aan Falkpost is aangeboden en dat – zoals gebruikelijk – de post door Falkpost dagelijks werd opgehaald. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
4.5.2.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat het bezwaarschrift voor het einde van de bezwaartermijn bij Falkpost ter verzending is aangeboden. Het toelichten van de gebruikelijke werkwijze bij de postverwerking op het advocatenkantoor van de gemachtigde van appellant en het overleggen van een registratie door een medewerkster van dat kantoor is daartoe onvoldoende. Daaruit volgt niet dat het betreffende poststuk daadwerkelijk op de genoemde datum in de brievenbus is gedeponeerd en door Falkpost is meegenomen. Het handelen van een gemachtigde en het niet bijhouden van een administratie door Falkpost op dit punt, komen voor rekening en risico van appellant. Omdat appellant ook in hoger beroep geen omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan kan worden geoordeeld dat het te laat indienen verschoonbaar is, heeft het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Conclusie en gevolgen

4.6.
De hoger beroepen slagen dus niet. De aangevallen uitspraken worden bevestigd. Dit betekent dat de intrekking en terugvordering van bijstand en de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift tegen het boetebesluit in stand blijven.
5. Omdat de hoger beroepen niet slagen krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.E. Marechal in tegenwoordigheid van S. Ploum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2026.

(getekend) E.C.E. Marechal

(getekend) S. Ploum

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Participatiewet

Artikel 17
1. De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
(…).
Artikel 54
(…)
3. Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend
(…).
Artikel 58
1. Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid.
(…)

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 6:7
De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken.
Artikel 6:8
1. De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
(…).
Artikel 6:9
1. Een bezwaar- of beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.
2. Bij verzending per post is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
Artikel 6:11
Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet- ontvankelijk-verklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.