ECLI:NL:CRVB:2026:234

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
24/1560 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens geschiktheid voor maatgevende arbeid als productiemedewerker

Appellant heeft een WIA-uitkering aangevraagd na ziekte met psychische, rug- en enkelklachten, maar het UWV heeft deze geweigerd omdat hij geschikt is voor zijn maatgevende arbeid als productiemedewerker. De rechtbank heeft dit besluit bevestigd na zorgvuldige beoordeling van medische en arbeidskundige rapporten, waarbij de beperkingen van appellant niet zijn onderschat.

Appellant voerde aan dat hij door PTSS, depressieve en paniekklachten niet in staat is zijn werk te verrichten, mede door sociale beperkingen en fysieke klachten. De Raad concludeert echter dat appellant onvoldoende medische onderbouwing heeft geleverd om de eerdere beoordeling te weerleggen. Het werk als productiemedewerker is eenvoudig en psychisch niet belastend, en het grootste deel van het werk wordt zittend uitgevoerd.

De Raad volgt de rechtbank in het oordeel dat appellant niet arbeidsongeschikt is in de zin van de Wet WIA en bevestigt de weigering van de WIA-uitkering per 5 april 2022. Het hoger beroep wordt afgewezen en appellant krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellant geschikt is voor zijn maatgevende arbeid als productiemedewerker.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/1560 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 mei 2024, 23/9737 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 25 februari 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellant per 5 april 2022 geen WIA-uitkering heeft toegekend omdat appellant zijn maatgevende arbeid van productiemedewerker kan verrichten, waardoor hij niet arbeidsongeschikt is. Volgens appellant heeft hij meer medische beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet zijn maatgevende arbeid vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.F.A. Cadot, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 14 januari 2026. Voor appellant is mr. Cadot verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als productiemedewerker voor 26,33 uur per week, via een uitzendbureau. Zijn dienstverband is op 10 september 2017 geëindigd. Op 7 april 2020 heeft hij zich ziekgemeld met psychische klachten, rugklachten en enkelklachten. Op dat moment ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 31 januari 2023. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant geschikt is voor zijn laatste werk als productiemedewerker. Het Uwv heeft bij besluit van 13 februari 2023 geweigerd appellant met ingang van 5 april 2022 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat appellant per die datum geschikt is voor zijn maatgevende arbeid van productiemedewerker bij zijn eigen werkgever of een andere werkgever, waardoor appellant niet arbeidsongeschikt is.
1.2.
Bij besluit van 11 augustus 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2.1.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
2.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze plaatsgevonden. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat uit de rapporten van de verzekeringsartsen blijkt dat zij op de hoogte waren van de door appellant gestelde klachten, waaronder enkelklachten, rugklachten en psychische klachten. Bij de opstelling van de FML is met het geobjectiveerde deel van de klachten rekening gehouden.
2.3.
De rechtbank is niet gebleken dat de beperkingen van appellant in de FML van 31 januari 2023 zijn onderschat. Het Uwv heeft gemotiveerd waarom het niet nodig is appellant te beperken op de aspecten emotionele problemen van anderen hanteren (item 2.6), eigen gevoelens uiten (item 2.7) en samenwerken (item 2.9). Het Uwv heeft toegelicht dat deze beperkingen alleen aan de orde zijn bij mensen met andersoortige psychische klachten dan appellant, zoals bijvoorbeeld bij een verstandelijke beperking, cerebrovasculair accident, schizofrenie, psychose, dementie, ADHD of autisme spectrum stoornis. De rechtbank kan deze motivering volgen. Verder overweegt de rechtbank dat uit de in de bezwaarprocedure ingebrachte informatie van de huisarts van 7 juli 2023, met daarin informatie van de psycholoog, blijkt dat appellant rond de datum in geding de huisarts heeft bezocht in verband met angstaanvallen. Dit was voor de huisarts geen reden om appellant voor zijn klachten door te verwijzen naar een specialist. De informatie van psycholoog [X] is van 2 december 2020 en heeft geen betrekking op de datum in geding. Datzelfde geldt voor de medicatie alprazolam die pas sinds 14 april 2023 is voorgeschreven. De medische informatie die appellant in beroep heeft overgelegd, te weten de verklaring van zijn huisarts van 7 maart 2024, geeft de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de belastbaarheid die de verzekeringsartsen hebben aangenomen. Die informatie was al bekend bij het Uwv en is bij de beoordeling betrokken. De beroepsgrond dat appellant meer beperkt moet worden, slaagt daarom niet. Voor de verdere beoordeling gaat de rechtbank dan ook uit van de belastbaarheid die is neergelegd in de FML van 31 januari 2023.
2.4.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft, rekening houdend met de vastgestelde FML, vastgesteld dat het eigen werk als productiemedewerker voor appellant geschikt is. Er is geen verlies aan verdiencapaciteit. De beroepsgronden van appellant geven de rechtbank geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Het standpunt van appellant dat hij niet in staat is het eigen werk te verrichten, vloeit voort uit zijn opvatting dat zijn medische beperkingen zijn onderschat. Zoals de rechtbank eerder heeft geconcludeerd is die opvatting niet juist. Dit betekent dat het Uwv appellant terecht geschikt vindt voor het eigen werk, zodat er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wet WIA. Aan een theoretische schatting op grond van de regels van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten wordt niet toegekomen. Het Uwv heeft de WIA-uitkering dus terecht geweigerd per 5 april 2022.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft herhaald dat onvoldoende rekening is gehouden met de aard en ernst van zijn klachten. Appellant heeft aangevoerd dat bij hem sprake is van een PTSS, depressieve klachten en paniek- en angstklachten. Zijn trauma gerelateerde klachten (daterend uit zijn vroege jeugd) en angstklachten zijn chronisch. Zijn trauma gerelateerde klachten uiten zich in het ervaren van angst in openbare ruimtes en wanneer appellant zich buitenhuis of buiten zijn vertrouwde kring verkeert. Appellant heeft regelmatig last van een paniekaanval en leidt een teruggetrokken bestaan. Appellant acht zich hierdoor niet in staat zijn maatgevende arbeid te verrichten waarin hij samen met derden moet werken. Appellant wijst verder op de restklachten aan zijn rechterenkel en zijn rugklachten. Appellant kan hierdoor niet langer dan een half uur zitten en is beperkt in staan en lopen.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5.1.
De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering om appellant een WIA-uitkering toe te kennen in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.2.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
5.3.
De gemachtigde van appellant heeft ter zitting van de Raad ten aanzien van de angstklachten van appellant verklaard dat appellant zich vanwege zijn angstklachten niet in staat acht om in een omgeving met collega’s te werken. Appellant kan niet omgaan met de sociale dynamiek en onvoorspelbaarheid die bij werken hoort.
5.4.
Wat appellant in zijn hoger beroepschrift en ter zitting heeft aangevoerd, vormt geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellant afdoende besproken en gemotiveerd waarom deze niet slagen. Appellant heeft in hoger beroep geen medische onderbouwing gegeven voor zijn standpunt dat hij niet kan omgaan met de sociale dynamiek die bij het werken hoort. Ten aanzien van de rugklachten van appellant wordt overwogen dat appellant geen medische stukken heeft ingebracht die zijn standpunt onderbouwen dat hij niet langer dan een half uur kan zitten of verdergaand beperkt is in staan of lopen. De Raad heeft geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid op de datum in geding (5 april 2022).
5.5.
De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv appellant terecht geschikt heeft geacht voor zijn maatgevende arbeid van productiemedewerker. Het betreft eenvoudig productiewerk dat psychisch niet belastend is. Van lopen en staan is geen sprake nu het werk hoofdzakelijk (95%) zittend wordt uitgevoerd.

Conclusie en gevolgen

5.6.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering om appellant een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, in tegenwoordigheid van D.M.A. van de Geijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026.

(getekend) E. Dijt

(getekend) D.M.A. van de Geijn