ECLI:NL:CRVB:2026:235

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
25/633 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 ZWArt. 7:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant, werkzaam als logistiek medewerker, heeft meerdere keren ziekteperiodes gehad en een Ziektewet-uitkering ontvangen. Na het bereiken van 104 weken ziekte heeft het UWV de ZW-uitkering beëindigd en geweigerd een WIA-uitkering toe te kennen wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.

De medische beoordeling door een UWV-arts en een arbeidsdeskundige concludeerden dat appellant geschikt is voor neksparend werk en dat de voorgehouden functies zijn mogelijkheden niet overschrijden. De rechtbank vernietigde het besluit deels wegens onvoldoende motivering, maar liet de rechtsgevolgen in stand na nader onderzoek.

In hoger beroep betoogde appellant dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat een eerdere PTSS-diagnose ten onrechte buiten beschouwing was gelaten. De Raad volgde het UWV en de rechtbank, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de PTSS-diagnose uit 2010 geen actuele beperkingen oplevert.

De Centrale Raad van Beroep verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de weigering van de WIA-uitkering per 20 augustus 2022. Appellant krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

25/633 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/633 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 maart 2025, 24/462 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 25 februari 2026
SAMENVATTNG
Het gaat in deze zaak om de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd aan appellant een WIA-uitkering toe te kennen. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft [naam x] hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingestuurd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2026. Namens appellant is [naam x] verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door H. van Haaften.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.
Appellant, die werkzaam was als logistiek medewerker voor 40 uur per week, heeft zich op 28 juli 2020 ziekgemeld met hoofdklachten. Vanaf 1 september 2020 ontving appellant een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW), die op 15 maart 2021 is beëindigd omdat hij zich hersteld heeft gemeld en is gaan werken bij een andere werkgever. Vervolgens heeft appellant zich op 9 april 2021 ziekgemeld, waarvoor hij vanaf 17 mei 2021 een ZW-uitkering ontving. Op 2 augustus 2021 is appellant weer gaan werken bij een andere werkgever, waar hij zich op 11 augustus 2021 ziek heeft gemeld. Aan appellant is opnieuw, vanaf 13 augustus 2021, een ZW-uitkering toegekend.
1.2.
In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellant het spreekuur bezocht van een Uwv-arts. In zijn rapport van 8 mei 2023 heeft deze arts vastgesteld dat appellant niet voldoet aan de criteria voor geen benutbare mogelijkheden (GBM), dat zijn klachten plausibel en consistent zijn met het dagverhaal, dat de klachten een rechtstreeks gevolg zijn van ziekte of gebrek en dat de klachten medisch niet evident objectiveerbaar zijn. Deze Uwv-arts heeft appellant aangewezen geacht op neksparend werk, waarbij rekening wordt gehouden met een verhoogd afbreukrisico en beperkt geacht voor deadlines en een lawaaierige werkomgeving. De beperkingen heeft de Uwv-arts neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 8 mei 2023. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens op 9 mei 2023 vastgesteld dat appellant niet geschikt is voor zijn eigen werk als logistiek medewerker, vijf functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste loonwaarde de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 0%.
1.3.
Bij besluit van 17 mei 2023 (primair besluit 1) is de ZW-uitkering van appellant per 20 augustus 2022 beëindigd vanwege het bereiken van 104 weken ziekte.
1.4.
Bij besluit van 10 mei 2023 (primair besluit 2) heeft het Uwv geweigerd aan appellant per 20 augustus 2022 een WIA-uitkering toe te kennen omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.5.
De bezwaren van appellant tegen de primaire besluiten 1 en 2 heeft het Uwv bij het besluit van 6 december 2023 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Hieraan liggen ten grondslag rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 4 december 2023 en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 5 december 2023.
1.6.
Appellant heeft beroep ingesteld.
Het oordeel van de rechtbank
2.1.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit voor zover dat ziet op de beëindiging van de ZW-uitkering ongegrond verklaard, het beroep voor zover dat ziet op de weigering van de WIA-uitkering per 20 augustus 2022 gegrond verklaard en het bestreden besluit in zoverre vernietigd. Verder heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit voor zover dat is vernietigd in stand gelaten.
2.2.
Volgens de rechtbank heeft het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellant per 21 augustus 2022 beëindigd, omdat de 104 weken van ZW-uitkering was bereikt. Op grond van artikel 29, vijfde lid, van de ZW, worden perioden van ongeschiktheid, als deze elkaar opvolgen met een onderbreking van minder dan vier weken, samengeteld. Niet in geschil is de wijze waarop het Uwv de perioden met onderbrekingen van minder dan vier weken heeft samengeteld en dat de laatste dag van de 104 weken termijn is vastgesteld op 20 augustus 2022.
2.3.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het bestreden besluit – voor zover dat ziet op de weigering van de WIA-uitkering per 20 augustus 2022 – niet deugdelijk is gemotiveerd en niet voldoende zorgvuldig is. Dit omdat als de verzekeringsarts bezwaar en beroep een fysiek spreekuur geïndiceerd acht als hij appellant niet heeft gezien, hij geen medisch oordeel kan geven over het primaire medische standpunt. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep heeft de rechtbank gegrond verklaard en het bestreden besluit gedeeltelijk vernietigd. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.
2.4.
Het Uwv heeft met het verweerschrift en het nadere rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 december 2024 voldoende toegelicht dat – ondanks het ontbreken van een spreekuurcontact met een verzekeringsarts – het medisch onderzoek deugdelijk en zorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gemotiveerd dat op grond van de anamnese en het dagverhaal bij het primaire onderzoek terecht is geoordeeld dat geen sprake was van een situatie van GBM zodat een FML opgesteld diende te worden. De primaire Uwv-arts was bekend met de medische feiten waaronder poliklinische recepten, patiëntenbijsluiters, brieven van [klinieken], het verslag van de KNO-arts van 25 januari 2023 en een opnameverslag van 23 juni 2021 in Griekenland. Deze informatie heeft hij bij de beoordeling van de belastbaarheid van appellant betrokken. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat met de vastgestelde nekbeperkingen in de FML van 8 mei 2023 voldoende rekening is gehouden met de uitslag van [klinieken] van 8 april 2024. Uit de overige in beroep overgelegde informatie, van onder meer de chiropracticer van 8 mei 2024 zijn geen nieuwe medische feiten naar voren gekomen om meer beperkingen vast te stellen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk toegelicht dat het onderzoek van de primaire arts conform de richtlijn Rapportageprotocol verzekeringsgeneeskunde van maart 1999 is gedaan. Ook heeft hij toegelicht dat uit de medische stukken blijkt dat de specialisten van appellant ook moeite hebben gehad om voor appellant de juiste diagnose vast te stellen. Een onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep zal daarom in dit specifieke geval geen meerwaarde hebben wegens de beperkte onderzoeksmiddelen waarover de verzekeringsarts beschikt in de spreekkamer op het Uwv kantoor. Het medisch oordeel zal dus gebaseerd moeten worden op beschikbare gegevens en de anamnese. Nu appellant al volledig onderzocht werd tijdens het spreekuur van de primaire Uwv-arts, zou een medisch anamnestisch en een lichamelijk onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanvullende medische feiten aan het licht hebben kunnen brengen. Het Uwv heeft voldoende toegelicht waarom het medisch onderzoek, waarbij appellant niet is onderzocht door een verzekeringsarts, in dit geval niet leidt tot een andere uitkomst.
2.5.
Het medisch onderzoek is volgens de rechtbank ook overigens voldoende zorgvuldig. Uit de rapporten van zowel de primaire Uwv-arts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt dat rekening is gehouden met de overgelegde informatie en de in het dossier aanwezige rapporten van de eerdere besluiten en procedures van appellant.
2.6.
Volgens de rechtbank heeft het Uwv de functionele mogelijkheden van appellant correct vastgesteld. De rechtbank heeft geen grond gezien voor het oordeel dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden van appellant overschrijdt. Daarom heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten.
De procedure in hoger beroep
Het standpunt van appellant
3.1.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij het niet eens is met dat deel van de aangevallen uitspraak waarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten. Appellant heeft deels herhaald wat hij in beroep heeft aangevoerd en wel dat het medisch onderzoek onzorgvuldig, onjuist en onvolledig is geweest en dat de verzekeringsarts niet conform de verzekeringsgeneeskundige protocollen geeft gehandeld. Verder heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de diagnose PTSS, zoals opgenomen in het rapport van [naam GGZ instelling] van 23 november 2010, ten onrechte buiten beschouwing is gelaten.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft een bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Over de gronden in hoger beroep heeft het Uwv het volgende opgemerkt. Het door appellant genoemde rapport van [naam GGZ instelling] dateert van 23 november 2010. Daarin is melding gemaakt van een behandelplan voor PTSS met een behandelingsduur van drie tot zes maanden. Ten tijde van de huidige beoordeling, die ziet op de datum 20 augustus 2022, werden bij psychisch onderzoek door de primaire Uwv-arts geen afwijkingen vastgesteld. Verder is het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoende zorgvuldig geweest en zijn de functionele mogelijkheden van appellant correct vastgesteld. Verder heeft de primaire Uwv-arts voor de diagnose occipitale neuralgie beperkingen aangenomen.

Het oordeel van de Raad

4.1.
In geschil is of de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit waarbij het Uwv heeft geweigerd per 20 augustus 2022 aan appellant een WIA-uitkering toe te kennen omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is, in stand heeft gelaten. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt het volgende.
4.2.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is – deels – een herhaling van de gronden die hij al in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft die gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken. Het oordeel van de rechtbank en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd. Nu de diagnose PTSS op 20 november 2010 door GZ-psycholoog F. Vergeer is gesteld en bij het spreekuur door de Uwv-arts op 8 mei 2023 bij psychisch onderzoek geen afwijkingen zijn gevonden, wordt het standpunt van het Uwv gevolgd dat in verband hiermee geen verdergaande beperkingen gesteld dienden te worden. Van psychische klachten, noch een behandeling daarvoor na 2010-2011, is in de procedures in beroep en hoger beroep gebleken.

Conclusie en gevolgen

5. Uit de overwegingen 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de WIA-uitkering per 20 augustus 2022 in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J.D. Streefkerk, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026.
(getekend) J.D. Streefkerk
(getekend) S.P.A. Elzer