ECLI:NL:CRVB:2026:243

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
25/678 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid

Appellant heeft een WIA-uitkering aangevraagd na ziekmelding in januari 2021, maar het UWV weigerde deze per 4 januari 2023 toe te kennen omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. De medische en arbeidskundige onderzoeken, waaronder een Functionele Mogelijkhedenlijst, toonden beperkingen aan, maar niet in die mate dat appellant niet kan werken in de geselecteerde functies.

De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de medische rapporten zorgvuldig waren en rekening hielden met zijn lichamelijke en psychische klachten, waaronder COPD en angstklachten. De rechtbank vond de geselecteerde functies passend en oordeelde dat de beperkingen niet zodanig waren dat een urenbeperking gerechtvaardigd was.

Appellant voerde in hoger beroep voornamelijk medische gronden aan, waaronder nieuwe informatie van zijn huisarts, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat deze informatie geen nieuwe feiten bevatte die niet al eerder waren beoordeeld. De Raad onderschreef de motivering van de rechtbank en bevestigde het bestreden besluit, waardoor appellant geen WIA-uitkering ontvangt en geen proceskostenvergoeding krijgt.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/678 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 25 februari 2025, 24/1782 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 4 maart 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellant per 4 januari 2023 (datum in geding) geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellant heeft hij meer medische beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.T. Ghaffari, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 21 januari 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ghaffari. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.W. van Schaik.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als ploegleider/operator voor 35,17 uur per week. Op 6 januari 2021 heeft hij zich ziekgemeld met belemmerende gezondheidsklachten. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een primaire arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 11 april 2023. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 18 april 2023 geweigerd appellant met ingang van 4 januari 2023 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Bij besluit van 19 februari 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
2.1.
Volgens de rechtbank zijn de medische rapporten zorgvuldig tot stand gekomen en bestaat geen aanleiding om te oordelen dat de belastbaarheid van appellant onjuist is ingeschat. De (verzekerings)artsen waren ermee bekend dat appellant diverse lichamelijke en psychische klachten heeft en uit hun rapporten blijkt dat zij hiermee rekening hebben gehouden bij de vaststelling van de beperkingen van appellant. Vanwege de angstklachten is appellant verminderd psychisch belastbaar geacht en zijn in verband daarmee beperkingen opgenomen in de FML. Ook voor de aspecifieke lage rugklachten en de klachten aan de rechterknie zijn in de FML beperkingen opgenomen. Vanwege het gebruik van Oxazepam is in de FML opgenomen dat appellant is aangewezen op werk zonder verhoogd persoonlijk risico. Als toelichting hierbij is vermeld dat appellant niet kan werken in omstandigheden met verwondings- of ongevalsrisico, zoals op hoogtes/open water/verkeer/hete leidingen/open vuur/chemicaliën. Met deze toelichting is volgens de rechtbank tegemoet gekomen aan de claim van appellant dat hij niet kan werken met gevaarlijke machines en/of voorwerpen en/of gereedschappen. Dit volgt immers uit de in de toelichting opgenomen passage dat appellant niet kan werken in omstandigheden met verwondings- of ongevalsrisico. In verband met COPD van appellant is in de FML opgenomen dat hij niet kan werken in een omgeving met stof, rook, gassen en damp. Voor meer beperkingen in verband met COPD bestaat volgens de rechtbank geen aanleiding. Hoewel in het in beroep overgelegde huisartsenjournaal van 4 juli 2024 bij de datum 12 januari 2023 is te lezen dat appellant bij een belafspraak heeft gemeld dat hij last heeft van zijn longen, sinds twee maanden meer benauwd is, meer hoest en ‘s ochtends veel last van slijm heeft, is bij deze datum in het overgelegde huisartsenjournaal van 22 maart 2023 en het in beroep overgelegde journaal van 17 juni 2024 niets te lezen over luchtwegklachten. Gezien het feit dat het huisartsenjournaal van 4 juli 2024 niet chronologisch geordend is en onlogisch in elkaar zit – partijen verschillen hierover niet van mening – en mede gelet op het feit dat het huisartsenjournaal van 22 maart 2023 afkomstig is van de destijds behandelend huisarts van appellant, heeft de rechtbank meer waarde gehecht aan dit laatste journaal. Daarbij merkt de rechtbank op dat de klachten waarmee appellant zich een paar weken later (namelijk op 6 en 13 februari 2023) heeft gemeld bij de huisarts, met name pijnklachten rechts onder de ribben betreffen en – anders dan appellant op zitting heeft gesteld – niet zozeer zien op de luchtwegen. Dit wordt bevestigd door het feit dat appellant in verband met deze pijnklachten op 17 februari 2023 is opgenomen in het ziekenhuis vanwege (rechtszijdige) diverticulitis en appendicitis, zo is te lezen in het huisartsenjournaal van 22 maart 2023. Het door appellant genoemde vermoeden van long-covid op de datum in geding wordt door de behandelend huisarts van appellant van destijds niet bevestigd. Nu appellant voorts op datum in geding geen medicatie meer gebruikte tegen de COPD, is er geen aanleiding voor het oordeel dat te weinig beperkingen zijn vastgesteld in verband met COPD. Daarnaast heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd dat appellant niet voldoet aan de voorwaarden voor een urenbeperking zoals die zijn omschreven in de Standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid. Op de datum in geding is geen sprake van een stoornis in de energiehuishouding die maakt dat appellant sterk energetisch is beperkt. Weliswaar is sprake van COPD en een doorgemaakte openhartoperatie, maar deze aandoeningen zijn op de datum in geding dermate rustig en stabiel dat het ervaren energieverlies daaraan niet is toe te schrijven. Bij het inactieve dagpatroon dat appellant heeft, speelt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep vooral deconditionering een grote rol.
2.2.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft volgens de rechtbank voldoende gemotiveerd dat het in de geselecteerde functies moeten werken met verschillende soorten handgereedschap en een naaimachine niet betekent dat wordt gewerkt met gevaarlijke machines en/of voorwerpen. Bij verkeerd gebruik kan hooguit een klein wondje aan de vinger of hand ontstaan. Dat is geen groter risico dan in het normale dagelijkse leven bij het gebruik van huishoudelijke apparaten en voorwerpen. Uitgaande van de juistheid van de bij appellant vastgestelde medische beperkingen, heeft de rechtbank tot slot geen grond gezien voor het oordeel dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet geschikt zijn voor appellant.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak, naar hij ter zitting heeft bevestigd, uitsluitend medische gronden aangevoerd en daarbij te kennen gegeven dat het hoger beroep zich met name richt op de vraag of hij voldoet aan de voorwaarden voor een urenbeperking. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat een urenbeperking aangewezen is heeft appellant informatie van zijn huidige huisarts van 18 november 2024 overgelegd.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak gemotiveerd besproken en afgewezen. Appellant heeft in hoger beroep geen reden gegeven waarom de benadering van de rechtbank volgens hem onjuist of onvolledig is. Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die tot dit oordeel hebben geleid worden daarom geheel onderschreven. Aanvullend wordt het volgende overwogen.
5.2.
De in hoger beroep overgelegde medische informatie van de huisarts van 18 november 2024 bevat geen nieuwe informatie over de gezondheidssituatie van appellant op de datum in geding, die niet al eerder bekend was bij de verzekeringsartsen van het Uwv. In dit verband wordt erop gewezen dat de behandelend huisarts van appellant ten tijde van de datum in geding op 22 maart 2023 informatie heeft overgelegd, die de verzekeringsartsen bij hun beoordeling hebben betrokken.

Conclusie en gevolgen

5.3.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellant een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van D. Semiz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) D. Semiz